Stedelijke uitdagingen

Inmiddels leeft meer dan 55 procent van de menselijke populatie in stedelijke gebieden en dat neemt volgens de VN vermoedelijk toe tot 68 procent in 2050. Van deze groei zal negentig procent plaatsvinden in Azië en Afrika.

Dat zijn de ruwe cijfers van die groei, daar zit weinig emotie in. Waar wel emotie inzit, is: wat voor stedelijke gebieden gaan dat zijn? Worden dat eindeloze sloppenwijken of juist plekken met een hogere levensstandaard?

De mens laten floreren, dat is een grote uitdaging, maar daarnaast zijn er nog legio andere uitdagingen, ook in ons kleine stukje Europa, in die rivierendelta met een langzaam maar gestaag stijgende zeespiegel, dalende bodem en de komst van andersoortig extreem weer.

Stedelijke agglomeraties moeten ook van elkaar leren: de ene plek groeit als kool en elders is het al een voldongen feit en werkt de omgeving wel/niet goed. Zo wonen in de Tokio-regio 37 miljoen mensen, waarmee het de grootste conglomeratie is die de wereld tot nu toe kent. Daarnaast zijn er regio’s die je kunt zien als agglomeratie van steden en alles wat daarbij hoort, zoals de Parelrivierdelta in China die in 2015 volgens de definitie van de Wereldbank de positie van Tokio als grootste stedelijke agglomeratie overnam.

Het zal daarom ook steeds moeilijker worden om gebieden waarin mensen wonen als ‘niet stedelijk’ aan te duiden. We moeten wat dat betreft ook niet meer over ‘de stad’ spreken, maar over hele regio’s.

Die regio’s, daar moet het gaan gebeuren, maar dat vraagt wel het een en ander, zo noemde ik al even kort de noodzaak dat mensen kunnen floreren in de stedelijke omgeving van de toekomst. Dat vereist onder andere economische voorspoed, een schone en veilige omgeving en aanverwante zaken, zoals toegang tot wonen, diensten en life spaces in de vorm van cultuur, stedelijk erfgoed, publieke ruimtes, sociale structuren en verenigingsleven of associational life.

Al die eisen gaan overigens wel ergens aan voorbij: rampen zijn niet voorspelbaar en respecteren geen grenzen. Zaken als rekening houden met toekomstige klimaatverandering zijn daarom ook van groot belang, maar ook het omgaan met uitbraken van besmettelijke ziektes en dergelijke mogen niet vergeten worden en tal van andere zaken.

Stedelijke uitdagingen, een extreem breed en complex begrip. Onder dit brede containerbegrip, wil ik in eerste instantie onderzoek doen naar hoe het in de nabije en verdere toekomst staat met mobiliteit in de stad, zowel sociale- als werkelijk fysieke mobiliteit. Dat doe ik in eerste instantie lokaal, vanuit de stad waar ik woon en het land waar ik leef.

Fietsterreur: het bakje-aan-de-voorkant

Ik hou van de fiets. Echt. Zeker in de stad. Snel, vrijwel geruisloos en altijd de mogelijkheid ergens tussendoor te glippen om dan weer met piepende banden tot stilstand te komen, een ‘uie‘ te maken, nog een snelle ruk om de laatste krappe hoek de andere kant op te zwenken, om vervolgens precies op de goede plek tot stilstand te komen.

Dit kan, met een fiets zónder bakje-aan-de-voorkant. Er kan nog heel veel meer met een fiets zonder bakje-aan-de-voorkant. Maar vooral is de fiets zonder bakje-aan-de-voorkant geen sta-in-de-weg bij parkeren of ongeleid projectiel in de drukke ochtendspits-op-de-fiets.

De fiets mét bakje-aan-de-voorkant is alles wat een fiets zonder niet is. Een fiets met bakje past niet in het rek. De fiets met bakje is minder wendbaar in gekke situaties. De fiets met bakje lijkt soms aan de voorkant wel zwaarder dan de bestuurder van het ding. De fiets met bakje is kortom een asociaal, gevaarlijk apparaat.

Tegenwoordig is het steeds meer mode om een kind met helm uit te voeren op de fiets. Misschien best slim, kinderen schijnen in tegenstelling tot volwassenen topzwaar te zijn, waardoor ze sneller bovenop hun hoofd terechtkomen. Maar, waarom zie ik er steeds meer fietsen met een achterlijk grote, roze bak voorop hun kinderfiets? Volgens mij kun je beter de bak weghalen en geen helm opzetten dan…

Nog zo’n fijn voorbeeld hier in ‘Zuid’. De Koninginneweg heeft een tramrails en die zit in de weg, dat komt mede door de enorme hoeveelheid geparkeerde, te brede Range Rovers (ze zijn er nog steeds, crisis of niet), maar ook door naast elkaar fietsende pubermeisjes (het zijn beduidend meer meisjes met een bakje-aan-de-voorkant dan jongens). Onlangs reed er weer eens zo’n stel blonde mutsjes voor me, beiden met formaat BAK voorop. Ineens moest mutsje rechts uitwijken voor iets onverwachts, maar dat kon niet, want het linker popje zat met haar bak in de weg van de andere bak. Gelukkig gingen ze niet op hun plaat, maar het scheelde niet veel.

De stad slibt dicht met geparkeerde fietsen. Op zich worden elk jaar meer kilometers per persoon in Amsterdam afgelegd op de fiets, maar ik kan me nauwelijks voorstellen dat die mensen die nu meer fietsen, vroeger geen fiets hadden. Het lijkt dus een ruimte-probleem, veroorzaakt door iets waar je paal en perk aan zou kunnen stellen. Dat laatste lijkt alleen niet te mogen in onze tijd van ‘vrijheid’ en ‘vrije keuze’. Toch zou ik er voor willen pleiten een maximum breedte in te voeren voor dingen voorop een fiets, uitgezonderd de échte bakfiets, want die dient soms nog wel een nuttig doel. En voor al die bakjes-voorop-de-fiets-voorstanders: neem een fietstas (of een rugtas).

Edit: ik kreeg de opmerking dat iemand verbaasd was dat ik hier niet al eerder op ingegaan was. Dat was ik zeker! Namelijk hier: ‘De fiets en het bakje

De rondvaartboot die alles…

21 dec. 2010/ Op deze ochtend van de kortste dag van het jaar fietste ik vanaf de Spiegelstraat de Herengracht op richting Amstel. Links naast me hoorde ik een vreemd geluid. Een ritmisch gekraak. Krrrrtakketakkkrrrtakketakkrrr. Nog niet helemaal echt wakker let ik er in eerste instantie niet op, want ondanks de vroege wekker om de maansverduistering te bekijken (die niet te zien was wegens iets met sneeuw) heb ik blijkbaar daglicht nodig om echt aan te gaan.

Na een van de hoge bruggen met gevaar voor onderuitgaan overwonnen te hebben, keek ik toch eens naar links. En jawel, daar was ie: de rondvaartboot die alles kapot maakt. Het ijs, weliswaar besneeuwd en vast van ondeugedelijke kwaliteit, werd doorklieft op hoge snelheid door een rondvaartboot.

Heb er maar even een kiekje van geknipt met het telefototoestel. Mocht het ijs dus blijven liggen en op den duur dik genoeg worden voor schaatsen, dan heeft u hier de boosdoener van de hobbelige kwaliteit in de Herengracht.

Toeristenkiekjes

Er zijn nog nooit zoveel toeristenkiekjes geschoten door de inwoners van Amsterdam zelf. Daar ben ik van overtuigd. Al twee dagen loop, fiets of fietsloop ik door Amsterdam met een gevoel van kindse tevredenheid. Alles ziet er anders uit. Overal stop ik om te kijken, te ruiken en te luisteren naar de doffe stilte. Met verbazing neem ik de stad in me op. Wat een ontzettend mooie stad is dat mini-metropooltje aan de Amstel eigenlijk.

Sneeuw en prachtig strijklicht. Alles wat nodig is om de normale wereld anders te laten lijken dan ze zich normaal voordoet. Een moment voor de normaal zo gehaaste bewoner om af te remmen. Zelfs de Stopera ziet er aardig uit. Alleen de toneeltoren ontsiert, maar een kniesoor die daar vandaag op let.

De sneeuw kwam gisteren. De hele dag. Honderden kilometers file in het hele land, soms tot wel zeventig kilometer aan toe. In de stad was daar gelukkig niets van te merken. De stevige stappers onder gebonden en hop, de straat op. En lopen. Door Oud-Zuid (okok, Zuid tegenwoordig). De Koninginneweg is eigenlijk best een statige straat, zo zonder auto’s. En er zitten zelfs allerlei kleine zaakjes! Grappig om dat te constateren, ik fiets er toch vrijwel dagelijks doorheen. Af en toe lopen kan zo zijn voordelen hebben.

Zo stiefelde ik verder door het gebied tussen de Willemsparkweg en de De Lairessestraat. Het zit daar helemaal vol met van alles en nogwat. Zelfs ik werd ertoe overgehaald om ineens een impulsaankoop te doen: Bonbons. De eerste keer in mijn leven dat ik zelf een dergelijk product heb aangeschaft. En ze blijken nog erg lekker ook, die bruine blokjes van Ge van Avezaath.

Na zoveel stappen in de sneeuw, voelt men dat wel na een tijdje, waarna ik me genesteld heb achter een kop warme chocolademelk (met slagroom) in het Concertgebouw Café. Ook weer zo’n eerste keer. Ik was echt nog nooit in dat etablissement geweest. Het trok me nooit aan, dat uitzicht over die rare hoek bij het Concertgebouwplein en de Van Baerlestraat. En wederom, zo zonder veel auto’s en vrijwel geen trams en bussen een uitzicht! Het staat er eigenlijk vol met mooie panden uit het eind van de negentiende eeuw…

Uiteindelijk bleek het Vondelpark toch wel het slagroomtoefje op de taart. Rennen door de 20 centimeter sneeuw. Heerlijk. Beetje linke soep die bevroren vijvers, dat weer wel. Je zou er zo over verder rennen.