Ik las een week alleen de papieren krant en dat beviel heel goed, maar…

Ik las een week alleen de papieren krant en dat beviel heel goed, maar…

Een week geleden kondigde de NRC aan tabak te hebben van Blendle. ‘We doen het zelf wel!’ kondigde Vandermeersch luid aan in het betreffende artikel. Dat kwam hem op veel onbegrip te staan, maar Vandermeersch’ redenen om uit de online kiosk te stappen vonden niet louter negatieve respons. Ook in mijn directe omgeving van on- en semi-online journalisten, bleek al langer wrok tegen Blendle te bestaan, zeker sinds het medium hun bijna-all-you-can-eat-model introduceerde.

Een abonnement op één titel. Hoe is dat ook al weer, vroeg ik me af. Daarom besloot ik een week geen artikelen via Blendle te lezen en kocht dagelijks de papieren middageditie van NRC. Afgezien van de vraag of kranten wel heel representatief zijn rond de verkiezingen, leek het een aardig idee. Omdat ik tot een half jaar terug een papieren Parool ontving, kon ik al wel enkele vooronderstellingen doen zonder ook maar één papieren krant ingekeken te hebben. Het verschil met die tijd en nu: toen gebruikte ik Blendle naast de krant en las die laatste tussen koffie en avondeten aan de keukentafel. En dan vooral het nieuws dat je niet direct op internet zou opzoeken. De grote vraag is dus wat een krant in zijn eigen vorm zo uniek maakt dat je er zelf apart een abonnement op neemt.

Vooronderstellingen:

  1. Papieren krant leest rustiger omdat je minder afleiding hebt
  2. Je leest stukken die je normaal niet leest, ook niet via Blendle of een andere online-dienst omdat je alles kunt overzien of gewoon je oog erop valt
  3. Ik ga Blendle missen, want ik kan ineens minder artikelen lezen

De eerste twee zijn waar. En ook dat een krant handig is als je je schoenen wil poetsen of iets anders waar afdankbaar papier voor nodig is. Nummer drie klopt alleen niet, met de kanttekening dat ik nu nog een papieren Groene Amsterdammer-, VPRO Gids- en New Scientist NL-abonnement heb, al sneuvelen die misschien ‘omdat ik ze toch wel via Blendle lees’. Ze liggen meestal in een hoekje stof te vangen. Omdat ik die papieren opties nog heb, mis ik Blendle niet. Althans, niet direct. *

Het experimiment

Terug naar de krant. Dag 1. Mijn eerste gedachte na het relaxed lezen van de krant was dat iedereen weer terug naar papier zou moeten. Mijn telefoon lag stil elders en ik heb me een kleine drie kwartier samen met een kop koffie nergens aan gestoord. Het voelde alsof ik terug was in de middelbareschooltijd om aan het eind van de middag als 17-jarige rustig de krant te lezen zonder iets te moeten. Maar 17 ben ik al een tijdje niet meer en het verheerlijken van nostalgie is niemand vreemd.

Dag 3. Het dieet van alleen grote verhalen over ‘grote zaken’ die je gelezen moet hebben is weg. De opbouw van dat papieren stuk antiek is zo gek nog niet. Geen zin in ‘voorpaginanieuws’: sla gewoon de eerste zoveel pagina’s over in één vloeiende beweging. Of begin achteraan. Of trek er een katern uit

Omdat Blendle voor veel mensen steeds meer samensteller wordt van wat je leest, kom je niet meer aan de kleinere, schijnbaar minder belangrijke verhalen en artikelen toe. Dat kan van alles zijn: een filmrecensie of vooruitblik op een documentaire op lineaire televisie zal ik niet aanklikken in Blendle en ook niet opzoeken. Dit soort artikelen wordt ook niet vooraf voor mij ‘gecureerd’ (mag dat woord bij dezen een snelle dood sterven?) door Blendles algoritmes en menselijke samenstellers. Dat ene verhaal wat buiten je eigen interessegebied zou liggen, maakt dat helaas niet goed.

Nog een apart ding: rouwadvertenties. Mensen die iemand verloren hebben, wat ik helaas onlangs zelf meemaakte, plaatsen vaak advertenties in dagbladen waarvan ze vermoeden dat mensen uit hun — vroegere — omgeving die lezen. Je oog glijdt er bewust of onbewust toch even overheen. Als je een bekende naam ziet, kijk je of je die kent. Dat is natuurlijk deels vervangen door socialmediakeizerrijk Facebook en andere, in de marge aanwezige diensten, maar die zijn in dat geval ook niet alwetend als je niet per ongeluk ‘vriend’ bent met (al is een toekomst waarin kunstmatige intelligentie alle punten van je leven verbindt, zonder dat je daar zelf nog iets aan hoeft te doen, verre van ondenkbaar).

Verkiezingen

Dag 7, 15 maart 2017. Is er een slechtere dag om een krant te beoordelen? Ja, de dag dat er geen krant meer is. Uiteraard handelde een groot deel van de teksten over de verkiezingen. Maar toch houdt de krant een cadans. Een ritme, een afwisseling als een ouderwets popmuziekalbum met een opbouw van verschillende nummers. Van hit naar melodieus naar wat de artiest ook maar kon bedenken. Zo ook in de krant. Afwisseling zodat je hersens niet overvoerd worden door ingewikkelde verhalen en zich ook even kunnen herpakken.

Maar is dat allemaal genoeg om alles nog in eigen beheer te willen uitgeven zoals NRC dat wil? Eigen abonnementen, digitaal of combinaties van papier en digitaal, en een eigen ecosysteem dat niet van buiten te raadplegen is? Als daar een simpel, eenduidig antwoord op zou bestaan, zat NRC nu niet in dit ‘conflict’ met ‘kiosk’ Blendle. Precies datzelfde geldt andersom voor Blendle: als het antwoord makkelijk was, ontstond er niet zo’n hetze.

Ondanks dat het natuurlijk een ‘leuk experiment’ is, zo’n week alleen papier, is het niet houdbaar. 2,60 euro per dag per krant en in het weekend nog 60 cent meer. Niet dat het heel veel geld is, maar papier is voor een belangrijk deel echt aan zijn laatste loodjes bezig. Zelf wil ik het niet, maar dat ik een half jaar geen papieren krant had, was me even niet opgevallen. Daarbij komt dat NRC wil ‘inzetten op producties met meer soorten content‘, zoals video, geluid of bijzondere artikelen verrijkt met andere media. Dat kan nog niet op papier.

Browsen en bladeren

Het is jammer dat beeldschermen zich zo slecht lenen voor overzicht. Voor echt browsen. Of bladeren zo u wilt. Tablets, aanraakschermen, e-readers, laptops, desktops, telefoons. Allemaal net niet ideaal. Alle met hun eigen voor- en nadelen. Het maakt dat het samenstellen van een eigen geluid, een eigen ritme, lastig is. Al probeert Blendle dat wel degelijk door bijvoorbeeld de lettertypes van de publicaties over te nemen. Zo is de Maarten! met zijn rare typografie ook op Blendle lastig te lezen. Toch stelt een ander de stukken voor je samen en dan blijken lettertypes ineens wel erg karig.

We mogen overigens heel andere partijen ook niet uitvlakken, namelijk de grote spelers Facebook en Google. Net als bij Blendle geldt daar dat je heel veel clicks nodig hebt om daadwerkelijk iets te verdienen. Dat is bij een normale krant niet anders. Heel veel korte, kleine kattebelletjes zijn op zich niet het betalen waard. Een enkel gedicht levert een auteur een beetje op in de krant, maar via een medium als Facebook of Blendle vermoedelijk helemaal niets. In die zin kan het niet anders dan dat er grote uitgevers zijn die met enkele zaken veel geld binnen harken om de kleine, maar niet minder belangrijke, stukken te bekostigen.

Het kwam Blendle in eerste instantie op kritiek te staan dat het niet rechtstreeks aan freelancers uitkeert. ‘Mijn stuk is veel gelezen, nu wil ik meer geld!’ Was een veelgehoorde klacht. Via Reporters Online is het overigens mogelijk dat freelancers hun verhaal recyclen en veel bladen en kranten staan dat ook toe na een bepaalde met inachtneming van een bepaalde tijd tussen publicatie via hun en door de freelancer zelf. Blijft staan dat als je te veel voor een niche schrijft, dat je nog zo belangrijk kunt zijn, een cent hou je er nauwelijks aan over.

Anderhalf miljard klanten

Het probleem op internet en geld verdienen aldaar is dat het extreem top-down is. Je hebt niet veel mensen nodig om iets op te zetten dat heel veel kan opleveren. Voor Facebook zijn bijna geen medewerkers nodig in vergelijking tot een bedrijf dat fysieke zaken zou doen met meer dan anderhalf miljard klanten. Of zijn het producten? Tel uit je winst. Maar om nu de discussie te gaan voeren dat er te weinig werk is en dat dat helemaal niet erg is, gaat wat ver.**

Na dit intermezzo komt toch de, of in ieder geval een soort van, conclusie. Kan NRC het in zijn eentje, zonder Blendle of andere online shops? Ik denk van niet. Zoals ik al schreef in het vorige artikel hierover: het is en-en, niet of-of. Wat geldt voor NRC geldt ook voor de rest van de tijdschriftenwereld: vrijwel alles wat een digitale variant kan hebben, zal hier niet omheen kunnen. Het los van elkaar willen zien van het fysieke en digitale product, is na ruim 20 jaar internet voor het grote publiek echt mijlenver achterhaald. Wellicht wordt ‘papier’ een ‘exclusieve’ versie van de krant. Een soort van ‘business class’ en de rest wordt ‘economy’. Dat parasiteert dan hopelijk minder ernstig als goedkoop vliegen.

Streaming money

Uiteindelijk komt het allemaal neer op verdienmodellen en misschien zien we in de toekomst iets als stromend geld of streaming money met de komst van cryptovaluta zoals Bitcoin. Maar voor het zover is, eenieder die iets online wil verkopen zonder dat dit via advertentie-inkomsten gaat van één van de grote online aanbieders van allerhande inhoud, zal moeten zorgen voor heel simpele afrekenmethodes of donatieknoppen.*** NRC’s experiment kan vermoedelijk alleen slagen als het dat kan of wil aanbieden.

Uitgever Ernst-Jan Pfauth van De Correspondent schreef er een interessante nieuwsbrief op Revue over. Gek genoeg is zijn eigen — via abonnement betaalde — medium níet via Blendle te lezen. Wel is overigens elk artikel zonder commentaren te lezen voor mensen die een link krijgen van een artikel via een betalend lid. Misschien moet hij daar maar eens over aan de tand gevoeld worden (of worden al lang plannen gesmeed dit soort inhoud wel aan te bieden via een platform als Blendle).

De complexiteit van online geld verdienen is enorm, tenzij je de grootste bent en helemaal bovenaan staat. Bedenk daarbij dat we in een minuscuul taalgebied leven en sappelen is de toekomst. Dat daar ‘iets’ mee moet, staat buiten kijf. Hoe, dat is nog even de vraag. Toevallig schreef tijdschrift Quote onlangs een artikel Hot and Streaming over streaming-muziek en geld verdienen. Lastige business en het gaat om volume, zo laat label Spinnin’ Records zien van Eelko van Kooten.

Blijft er nog één interessant en heikel punt over voor Blendle of eigenlijk alle aanbieders: het is op internet een winner takes all. Monopolies winnen. Dat vinden sommigen, zoals Peter Thiel, mede-oprichter van onder andere PayPal, geen probleem. In Nederland bestonden meerdere online tijdschriften- en krantenverkooppunten, zoals Elinea en MyJour, maar alleen Blendle lijkt het aardig te doen. Elinea ging failliet en is augustus vorig jaar overgenomen. De site bestaat nog, maar de laatste artikelen zijn van eind augustus 2016. MyJour is failliet en bestaat niet meer. Vinden we dat een probleem?

Al met al: zonder experimenten geen kennis. Ik ben benieuwd naar de korte- en middellangetermijnuitkomsten van NRC’s experiment.

*Ik mis de deel-optie. Ook mét lezen op papier deel ik vaak later een interessant artikel. Soms heb ik de neiging van papier af te willen delen, maar ja.. dat kan nog niet.

**Waarom er zo veel middenmanagement rondloopt kan anders niet verklaard worden

***Denk bijvoorbeeld aan Flattr of de browser ‘Brave‘ die via Bitcoins microbetalingen doet aan sites waar de gebruiker vaak komt

In deel één beschrijf ik onder andere mijn twijfels bij Blendle’s All You Can Read-model.

Boek: Joseph Turow “The Daily You”

Wat we allemaal zouden moeten weten

Het was altijd de grote droom van de advertentie-industrie: iedere stap volgen die elk individu online zet. Die droom is steeds meer werkelijkheid, aangezien de software die elke online-handeling volgt, steeds beter wordt.

De volg-software zorgt voor de snelst groeiende online-business, namelijk die van het trackenvan individuen. Vervolgens bundelen bedrijven deze personen in wel of niet belangrijke potentiële klanten en die informatie wordt verkocht aan adverteerders. Hierdoor krijgt elk individu andere content voorgeschoteld en is ieders internet net even anders.

Waste versus target

Elke klik, ieder ingevuld formulier, elk bezoek aan een website, marketeers verzamelen over iedereen persoonlijke informatie om daaruit complete profielen van individuen op te bouwen waarbij het woord ‘anoniem’ vrijwel betekenisloos is, al lijken maar weinig mensen zich daar echt zorgen over te maken.

Sommigen van ons zijn voor de marketeers slechts ‘waste’ (afval, verspilling) en geen ‘target’ (doel). Dat zorgt niet alleen voor totaal verschillende belevingen op internet – de een krijgt wel een mooie auto voorgeschoteld, de ander slechts een b-merk – maar zorgt er ook voor dat een adverteerder alleen betaalt voor mogelijk ‘goede’ klanten. Dit klinkt in eerste instantie niet zo onlogisch, maar zorgt ervoor dat advertentie-inkomsten nog lager worden voor sites die daarvan afhankelijk zijn, met alle mogelijke gevolgen van dien: is nieuws nog onafhankelijk?

Joseph Turow, professor aan de Annenberg School for Communication in de VS gaat met dit boek in op de geschiedenis van adverteren en op hoe dat bij de verschillende massamedia, zoals krant en TV, werkte. Hij laat hier vooral zien wat de waarde van het grote getal is en hoeveel die waarde afneemt door het internet, wat weer tot gevolg heeft dat contentmakers minder verdienen en wat voor gevolgen dat gaat hebben.

Als je al een tijd meeloopt op internet en je wel eens iets verder hebt verdiept in het reilen en zeilen van dit wereldwijde netwerk, dan vertelt dit boek niet veel nieuws, al is het wel het eerste boek dat alles met betrekking tot adverteren en data-mining op een rijtje zet. Denk hierbij aan de zoektocht vanaf het begin naar mogelijkheden om mensen te volgen, al was het alleen maar om het kunnen bijhouden van wat er in het winkelwagentje zit. Dat resulteerde in de geboorte van de cookie.

Het boek verdiept en laat door een grote keur aan praktijkvoorbeelden zien hoe de wereld van websites, content, marketeers, adverteerders en wat al niet meer door al maar geavanceerdere software van de ‘advertising exchanges’ aan elkaar gekoppeld wordt.

Oude en nieuwe media integreren steeds meer met elkaar en zelfs de TV is niet meer de TV waarmee we opgegroeid zijn. Google en andere partijen proberen daar nu al op verschillende manieren slaatjes voor de toekomst uit te slaan: data van kijkers in combinatie met data van dezelfde smartphone- of internetgebruikers.

“De trein is net gaan rijden en we staan nog maar aan het begin van wat er allemaal gaat gebeuren,” schrijft Turow in het laatste hoofdstuk. Hij draagt ook een aantal ideeën aan die ons meer inzicht en weerbaarheid moeten geven voor ons dagelijks online bestaan. Zoals dat we niet vroeg genoeg kunnen beginnen met het onderwijzen van onze kinderen. Dat laatste klinkt misschien wat klein, het grote werk ligt toch bij de wetgever en zij die de wetgever controleren en daar komt de gemeenschap om de hoek.

Ondanks dat het boek voornamelijk op de markten in de VS gericht is, is het onmogelijk ons aan de beschreven fenomenen te onttrekken, daarom is het boek naar mijn idee een must read voor marketeers of zij die het fenomeen willen bestrijden. Daarentegen is het voor de geïnteresseerde leek te droog met alle diepgaande beschrijvingen van de verschillende praktijken aan de hand van bekende en minder bekende bedrijven die achter de schermen aan de touwtjes trekken.

The Daily You: How the New Advertising Industry Is Defining Your Identity and Your Worth

ISBN: 9780300165012

Publicatiedatum: 10 januari 2012 Yale University Press

“Press ESC to exit full screen mode”

There is something which has disturbed me for a while now. It’s not very important, but it’s there: almost all flash video players display a large text in the middle of the screen when switching to full screen:

“Press ESC to exit full screen mode”

The text remains a while, only in Internet time it feels like a small eternity. It wouldn’t be a big deal if all internet films would start with a title, however, that is not the case with most short internet films.

We can also assume that if a person exhibits the skills changing the small, stamp-sized screen in a full screen modus, this person is able to somehow return to something small. It seems pretty useless to tell how to go about. Moving the mouse will show a toolbar with icons which leave little to be guessed.

Now, it is possible that the hindering display of this rather useless communication is intended to pave the way for the still mostly experimental HTML5 players. The latter display a small, but still very visible yellowish thing in the top of the player.

The Game

Dinsdag 3 januari 2012, 16:06. De eerste post die ik op ‘mijn’ newsfeed op Facebook kan terugvinden met als titel “The Game”. De post van A.S. nodigt iedereen uit om te zoeken naar dé hit die op nummer 1 stond in de geldende hitlijst van jouw land in de week van je geboorte.

Stom. Ik doe het niet.

The Game:
1) Discover the #1 single in your country of origin in the week you were born
2) Find it on YouTube
3) Post it on your Facebook page without shame

De tweede persoon in mijn news feed, H.P., komt met ‘zijn’ hitje een kleine anderhalf uur later.

Nog steeds stom. Ik doe het niet.

Jaja, zoek maar uit wie dit is!

Uiteindelijk post ik rond kwart over een woensdagmiddag zelf maar eens een link naar een nummer dat blijkbaar op de hoogste plek van de Top 40 mocht staan in een van de warmste weken van mijn geboortejaar. “Post it on your Facebook page without shame,” was helaas wel nodig als ‘advies’ (en het nog posten ook).

Enkele uren later ontdekt het gros van de mensen bij mij op het kantoor van Bureau Wibaut deze grap en gaat iedereen naarstig op zoek naar het nummertje dat mogelijk klonk toen ze hun eerste (a-) muzikale tonen uit hun keeltjes ten gehore brachten aan moeder en vroedvrouw.

Maar dat soort nummertjes maken geen babies.

Welk nummer stond op een negen maanden vóór de geboorte?

Al met al is het een verdomd stom spelletje, maar het niet doen kost bijna net zoveel tijd. Googlen op “wiki <geboortejaar> <top 40>” is voldoende. Op die manier helpt iedereen mee om een lange top eind jaren zeventig/jaren tachtig op mijn Facebook-news feed te krijgen.

Eigenlijk best gezellig, zo’n time machine.

(tijdens het schrijven van dit stukje hadden al 28 mensen dit als FB-update gegeven)

Onthouden 2.x, vergeten was nog nooit zo makkelijk

Onthouden waar iets ligt, onthouden waar een verhaal over gaat of kunnen herinneren hoe ergens te komen. ‘Dingen’ waar we als mens redelijk voor getraind zijn en over het algemeen niet heel veel moeite mee zullen hebben. Alleen er is iets wezenlijk veranderd voor een groot deel van de wereldburgers: alles is terug te vinden. Daar worden studies aan gewijd, komen uitspraken over, psychologen schrijven er verhalen over in de daarvoor bedoelde tijdschriften en ga zo maar door. We zouden met de groei van het alledaags gebruik van Internet steeds meer te maken hebben met transactive memory wat zoveel betekent als een systeem waarbij groepen mensen gezamenlijk kennis coderen, opslaan en weer terughalen. Daar kan ik me wel enigszins in vinden, alleen wat als er nou niet toevallig iemand van die groep online is om mee te helpen de informatie terug te halen uit de brij? Waarom wil mijn geheugen eigenlijk alleen nog maar denken: “Ik heb dat ergens gelezen en ik zag ergens ooit een link ergens op een site, misschien was het Twitter of misschien wel Facebook of misschien wel gewoon…” Zo’n collectief geheugen, wat nou als het stopt met functioneren?

‘Vroeger’ waren de meeste fora open en bloot. Alleen ‘leden’ konden berichten plaatsen, al was vaak alles voor iedereen zichtbaar. Zoeken met een beetje zoekmachine deed veelal zijn werk en verder hoefde je niet zo veel te onthouden. Her en der was je wel lid van een forum of iets dergelijks waarbij alleen leden toegang hadden, maar iedereen F5-de dat zo regelmatig waardoor antwoorden op zoekvragen vaak vrij snel kwamen. Omdat de fora een heel rechtlijnige structuur hadden, las ook het gros van de mensen alles en als iets dan echt te ver in het verleden weggezakt was, kon je terugvallen op het collectieve geheugen en kwam je er wel weer uit. Eventueel door iemand van dat forum in een of ander apart chatprogramma aan te spreken, want er was altijd iemand online. Als er dan echt niemand tijdig een reactie gaf, dan kon je je eigen geheugen pijnigen en bedenken wanneer je het ongeveer gelezen had, om dan pagina naar pagina uit het verleden langs te gaan en veelal stuitte je wel weer op de felbegeerde link. Web 2.0 avant la lettre.

Gek genoeg zou je het idee kunnen hebben dat alles vele malen makkelijker geworden zou moeten zijn. Het tegenovergestelde lijkt waar: de waan van de dag moet regeren, de rest wordt vergeten. Het is schier onmogelijk op een praktische manier terug in de tijd te gaan in je Facebookprofiel, je twitteraccount en zelfs de grootste zoekmachine zorgt ervoor dat je alleen maar onthoudt wat ooit daar gevonden werd. Bij Facebook kun je het volgende niet vragen in je berichtenveld: “Zeg, ik zag ooit bij iemand iets wat leek op dat en dat, maar ik weet niet meer wat het was.” De kans dat de juiste persoon dat toevallig te lezen krijgt in de berichtenbrij is nihil en aangezien je vergeten bent wie het ooit postte, wordt het er niet makkelijker op. Een zinloze discussie is waarschijnlijk het gevolg – als er nog iemand reageert. Terugzoeken in de hele berichtengeschiedenis heeft ook geen zin, want die is aan constante verandering onderhevig en vooral voor iedereen anders.

Onthouden lijkt zich daardoor meer en meer toe te moeten spitsen op het kunnen herinneren van waar plaatste ik of iemand anders ooit wat, waar en wanneer. Maar zelfs dat is niet bepaald onfeilbaar. Onlangs bedacht ik me dat een vriend op Facebook ooit de titel van een interessant boek postte, alleen was dat al weer een tijdje terug. Gravende in zijn berichtenhistorie leverde gelukkig weer het antwoord op, maar in plaats van de titel of de schrijver te onthouden, moest ik uiteindelijk weken later weer terug zijn profiel in op zoek naar het boek. Helaas post hij nogal veel. Heel erg veel. Op zich zou dat niet zo’n probleem zijn, als je snel terug de tijd in kunt springen, maar na pagina na pagina felicitaties doorspitten was de lol er snel af.

Het terugvinden van de titel van het betreffende boek was niet heel triviaal. Alleen we doen hetzelfde met wél triviale informatie. Ons brein maakt steeds meer gebruik van de mogelijkheid met minimale inspanning zoveel mogelijk te kunnen ‘onthouden’. Dat is heel praktisch, alleen is het daarin blijkbaar weinig selectief in wat belangrijk is – en we dus echt zouden moeten onthouden zónder daarvoor terug te moeten grijpen naar een elektronisch apparaat. Maar misschien leren we dat nog, ooit.

Papier, wanneer niet meer?

Gisteravond (donderdag 9 juni) liep ik even over de boekenafdeling van een groot warenhuis. Helemaal vol lag het met boeken waarvan ik dacht: die wil ik mee op vakantie! Alleen een voettocht door de Scandinavische wildernis vraagt om minder gewicht.

Gelukkig wordt het boven de zestigste breedtegraad in de zomermaanden vrijwel niet donker. Dat scheelt weer een lamp. Een pocketboekje mee kan nog net, al zijn die wat snel uit. Eens aan de e-reader? Kan. Jaren terug probeerde ik dat ooit op mijn toenmalige SonyEricsson K800i, dat was niet zo ideaal. Tja, het scherm was er fijn genoeg voor, letterlijk, alleen zouden een vergrootglas en extra accupack dan ook van pas gekomen zijn.

Toch verwachtte ik dat het nu, zo’n 5 jaar later, allemaal netjes geïntegreerd zou zijn in een smartphone-achtig toestel. E-Ink was met een grote opmars bezig (zo leek het) en afrolbare/uittrekbare/flexibele schermen met dit goedje zouden in een mum van tijd hun weg vinden naar de leeslustige en ultramobiele consument. Het zou gaan zoals met de camera in de telefoon: geen perfect fototoestel, maar heel erg prima voor snapshots.

Het afrolbare scherm in de telefoon. Polymer Vision gaf een mooi voorproefje in februari 2007. Het ding zou zelfs al snel op de Italiaanse markt komen. Helaas, nooit meer iets van vernomen. In de tussentijd zijn er door verschillende bedrijven versies in kleur getoond en versies met een redelijke verversingssnelheid waardoor het kijken van bewegend beeld ook al bijna tot de reële mogelijkheden zou behoren.

De innovaties rond deze schermtypes zijn niet tot stilstand gekomen, alleen lijkt wel vertraagd door de snelle opkomst van tablets. Iets wat me bevreemd, juist omdat deze dingen zoveel weg hebben van een e-book qua formaat én omdat je deze apparaten onderweg en buiten gebruikt. Een volgende stap zou kunnen zijn een dunne, afrolbare koker waar je een totaal scherm uit kunt toveren. Deze koker zou op twee manieren bruikbaar kunnen zijn: reader-modus, waarbij geen constante CPU-kracht nodig is om dingen te doen, alleen om af en toe een bladzijde te wisselen en een tablet/computer modus waarbij je het ding gewoon als tablet kunt gebruiken. Moeten we daarvoor weer op Apple wachten? Dat bedrijf leerde de wereld werken met touchscreens terwijl ze al decennia bestonden. Ik heb alvast een naam voor ze: de iStick.

Eerder gepubliceerd op: Mobilyz.com

De Googliaanse knoop…

Enkele weken geleden gaf Google de ene na de andere keynote speech tijden hun IO conferentie. Eén van die speeches ging over Android als besturing voor alles. Android als communicatie-OS tussen alle apparaten in je huis. Van je stereo tot je hometrainer. De ijskast en nog veel meer. Als muziek in mijn oren!

Plaatje: MAA (?)

Vroeger droomde ik al over een apparaatje wat door mij was ontwikkeld en waarmee alles gedaan kon worden wat ik wilde. Het apparaatje op creditcard-formaat kon alles aansturen en ik kon er grootse dingen mee doen. Daarbij had ik wel het besef dat zo’n krachtige computer een gewild object van goede én slechte mensen zou zijn, dus ik had allerhande veiligheidsmaatregelen genomen. Ik was de enige met zo’n ding. Alleen ík wist hoe het te bouwen en niemand zou míj kunnen aanvallen om het dingetje te pakken te krijgen, want tja… het voordeel van apparaatjes die alles kunnen, bescherming is dan geen probleem.

Google heeft Android niet voor zichzelf gehouden en geeft met graagte de inhoud van hun (nog) mobiele OS aan iedereen die er wat mee wil. Bellen met je ijskast? Bouw de mogelijkheid gerust in. Je koffiezetapparaat zelf het internet laten gebruiken om de gewenste maling te krijgen bij elk type luchtvochtigheid? Doe het! Een melding doorkrijgen op je telefoon dat de koffie klaar is, pas de problème! De wereld hoeft niet meer bediend te worden met een afstandsbediening, de wereld om je heen bedient zichzelf, met jouw voorkeuren en jouw instellingen, vanuit jouw eigen geschiedenis waaruit de meest plausibele toekomst wordt voorspeld om zo al vast voorkeuren te bedenken. Voor jou. Alles om je heen in die wereld is aan je onderworpen. Wel via Google trouwens, maar ach…

Het verschil met bijvoorbeeld Apple is dat Google graag alles, dus ook dingen die niet met hun eigen OS werken, willen verbinden met hun ecosysteem. In eerste instantie moet je nog wel een apparaat koppelen met USB waarna de Android-device zelf op zoek gaat naar de benodigde communicatiesoftware, maar het wordt toch steeds duidelijker waar Google naar toe wil. Met nu twee eigen OS-en lijkt het verwarrend te worden. Echter in de speeches bleek ook al de voorkeur voor HTML5 en alles wat daar uit voort moet komen. Wel met je Google-account natuurlijk, maar ach…

Ik leef net als Google in een sprookjeswereld waar geen slechte mensen zijn en waar dieven niet bestaan. Voyeurs zijn er niet en alles wat ik doe is wettelijk, legaal en keurig netjes. Nooit bega ik misstappen of zijn er dingen die ik liever niet had gedaan. Ik drink nooit meer dan twee bier en dat is goed, aangezien mijn ijskast bijhoudt hoeveel bier ik drink. Anders was er al ergens hulp voor me gezocht natuurlijk. De verschillende producten in de ijskast worden keurig uitgegeven op het aantal calorieën. Met regelmaat zit ik op de hometrainer en dan speel ik wel een leuk spelletje via mijn Android-device, waarbij obstakels ontweken worden door sneller of langzamer te fietsen. Omdat via mijn Google-account bekend is hoeveel calorieën ik binnengekregen heb, ‘weet’ de hometrainer hoe lang ik moet fietsen. Daarna stap ik in mijn elektrische auto om 5 kilometer verder weer uit te stappen om een verantwoorde film te gaan kijken. Daar had ik ook met een fiets naar toe gekund, maar dan had ik geen tijd gehad een onschuldig spelletje in de zelfsturende auto te spelen, want op de fiets had ik zo maar calorieën kunnen verbranden zonder dat Google het wist en ik had daarbij op het verkeer moeten letten waarbij ik geen Google-tijd had! Maar ach…

Alleen de laatste keer dat ik buiten kwam, was de wereld niet zo perfect. De laatste keer dat ik te lang in een kroeg hing, nou ja, daar wil ik de calorieën niet van tellen, laat staan de glazen. De laatste keer dat ik een krant doorbladerde stonden er allemaal berichten in waar ik niet blij van wordt. Uit niets wordt duidelijk hoe een bedrijf als Google daarmee omgaat. Hoe al die verschillende dingen aan elkaar gekoppeld zijn. Voor elk persoon wordt een gordiaanse knoop aan verbindingen gemaakt. En natuurlijk niet alleen door Google. Af en toe besef ik me ineens dat we slechts de eerste kleine stapjes in een wereld van zoveel verbindingen gezet hebben. De ‘ik’ in mijn ideale wereld wil dat ook heel graag. Niets liever dan dat. De ‘ik’ in de echte wereld daarentegen… Maar ach.

Zie ook: Google IO Conference Keynote Speech dag 1

Eerder gepubliceerd op Mobilyz.com

 

Smartphones en apps, gaat het daar mis?

Dit stuk schrijf ik op een klein computertje met een belofte. De belofte dat browsers ooit krachtig genoeg zouden zijn om te dienen als plek om programma’s in te draaien. Die lijkt dan ingelost. Ik zie niets anders voor me dan een browser en daarin doe ik alles. De grote, touchscreen-vriendelijke knoppen zijn niets anders dan links die verwijzen naar on- en offline applicaties die je gebruikt.

Een dergelijke toekomst werd al aan het eind van de twintigste eeuw door enkele visionairs voorspeld. Op allerhande apparaten – zoals PDA’s, thin clients, desktops en telefoons –  zou je over dezelfde programma’s kunnen beschikken, zolang er maar een browser op staat.

Iets gooide aan het begin van de 21ste eeuw roet in het eten. Sommige browserbouwers hielden zich niet aan de afspraken en daarmee bleef het idee van de browser als omgeving nogal kreupel. Gelukkig ontstond er na een lange tijd van IE-dominantie een browseroorlog en lijken de verschillende bladerprogramma’s zich aardig te houden aan de standaarden. Tijd voor een feestje! Of toch niet?

Ondanks dat ook de browsers van de meeste smartphones er helemaal klaar voor lijken te zijn, houdt iets deze revolutie tegen. De merkafhankelijke Apps.
“Ik heb een telefoon/pad/phone/tab/slate/dinges* van/met Blackberry/iOS/Android-phone/Symbian^3/Windows Phone 7/Maemo-phone/OS?* en een market/app store/app world/winkeltje* en …”
Het wordt er in ieder geval niet handiger op. De kanalen zijn niet onderling benaderbaar en de programmaatjes niet of moeilijk uitwisselbaar. Daaraan gekoppeld driedubbele verdienmodellen, gepersonaliseerde advertenties en ontelbare andere verwijzingen en niemand ziet nog door de bomen het bos.

Alle apparaten waar het om gaat hebben browsers aan boord. De meesten kunnen ook het gros van de HTML5 specificaties aan en toch lopen de meeste applicatiebouwers daar met een grote boog omheen. Soms kun je zelfs betwijfelen of ze er überhaupt aan denken. Bij de verschillende peilingen die bijhouden waar mensen voor willen ontwikkelen staan  over het algemeen alleen de verschillende platformen. Applicaties ontwikkelen voor de browser lijkt voor het gemak maar even vergeten te worden, al had men in 2009 nog goede hoop.

Op dit moment maak ik zelf binnen de browser gebruik van fotobewerkingssoftware, filmbewerkingssoftware, een tekstverwerker, spreadsheets, muziekspelers, email (oh ja…), kranten lezen, verschillende games, sociale media en een heleboel andere dingen. Voor al deze toepassingen waren losstaande programma’s nodig die je apart moest installeren. Misschien komt het door het gevoel wat men heeft: een applicatie installeren geeft een gevoel van bezit.

Maar ja, de muziek-CD heeft het al jaren geleden afgelegd tegen opslag op onduidelijke plekken waarbij het ‘hebben’ van muziek al lang niet meer fysiek is, slechts nog als idee in je hoofd. Hopelijk blazen al die app-stores elkaar gewoon op. Einde verhaal. Dan hoeven bijvooreeld kranten zich ook geen zorgen meer te maken over welk aandeel van de abonnementsprijs afgestaan moet worden aan de houders van al die verschillende winkeltjes. Want die winkeltjes zijn niet nodig. Al heel lang niet meer en toch stinken we er steeds weer in.

*doorhalen wat niet van toepassing is

Eerder gepubliceerd op Mobilyz.com

Site weer goed in Firefox

Probleem opgelost! De Portfolio-pagina werkt weer!