© OpenStreetMap-auteurs

Nul-punt-nul en Disneyficatie

‘Een Wieckse Witte nul-punt-nul dus.’
‘Ja, een alcoholvrij witbier’, zeg ik.
‘Dat is dus Wieckse Witte nul-punt-nul’, herhaalt de serveerster.

Alle alcoholvrije bieren op de kaart van dit Oostmahornse etablissement aan het Lauwersmeer zijn direct of indirect van ‘s lands grootste brouwer en blijkbaar is het woord ‘alcoholvrij’ in de ban gedaan. Nul-punt-nul zult u zeggen. Oké, dat is goed. Het is te warm om me hier op de een na laatste dag van juli 2020 op dat moment nog druk om te maken. Er zijn dan ook grotere zaken om te bespreken dan een lauwe nul-punt-nul-kwestie, zoals de verdisneyficatie van de buurt.

Vakantieparkenboer Landal heeft namelijk een volledig nep-oud kustplaatsje met de naam Esonstad uit de grond gestampt aan dit stukje Nationaal Park Lauwersmeer. Hier kan de mens zich wanen in iets echts-dat-nooit-was. De Disneyficatie van de samenleving die overal in elk gebied net iets anders vorm krijgt.

Vuurtoren Oostmahorn

Misschien was het oude vuurtorentje waar je naartoe kunt stiefelen wel het fijnst. Of zoals het er vroeger bijlag.

Rond het Lauwersmeer is meer te beleven dan semi-pretparken. Een geocachewandeling door een in de jaren 70 van de twintigste eeuw aangeplant bos bijvoorbeeld, het Zuidwalbos. Dit bos moest als proeftuin dienen voor het nog in te polderen noordoostelijke deel van de Waddenzee. Klinkt nu bizar, maar ooit een serieus plan.

Het gebied bevindt zich tussen de Strandweg en de N361, waar blijkbaar ook orchideeënroutes zijn, althans daar waren mensen naar opzoek.

Naast het hoofdpad zijn verschillende kunstobjecten te vinden, zoals foto’s geprint op dibond en betonnen sculpturen die samen een soort architectonische puzzel vormen als losse onderdelen die door het landschap zijn uitgestrooid.

Een stukje verder, nadat je dorpjes als Kruisweg, Kloosterburen, Kleine Huisjes en Pieterburen bent gepasseerd, kom je bij Hornhuizen. Daar staat een kerk waarvan je de toren kunt bezoeken door gewoon de deur open te duwen en de smalle trap naar boven te nemen. In de toren kom je langs het uurwerk, de klok en uiteindelijk bovenop de gele houten trans met de wijzerplaat, direct onder de rode, achthoekige koepel. Een prachtig uitzicht over het vlakke land.

© OpenStreetMap-auteurs

Dokkum, het Wad, Pingjum en scheermessen

Dokkum. Bij gratie van Bonifatius laat het Dokkumer museum zien. De stad had vermoedelijk nooit enig bestaansrecht gehad zonder ‘s mans gewelddadige dood. Een zwaard door de Bijbel, dat is hoe Bonifatius herinnerd wordt. Maar goed, dat was op 5 juni 754 na Christus.

Opvallend aantrekkelijk voor het oog, Dokkum, de historische vorm van de stad is bewaard gebleven omdat de stadswallen nooit zijn geslecht. Op een bepaalde manier doet het geheel bijna Delfts aan voor een westerling, vooral door de lage kades bij de grachten en de kleine huisjes. De vergelijking gaat overigens mank als je het formaat van bijvoorbeeld de Waag of de Grote kerk meeneemt: die zijn gewoon klein.

Het Dokkumer museum is werkelijk aardig. Het personeel ook trouwens, maar dat geheel terzijde. De entree is niet groot en in deze ‘coronatijden’ maakt dat je uiteraard moet reserveren voor een bezoek en dat is maar goed ook. Door de eenrichtingsverkeersmaatregelen moesten we eerst een steeg oversteken en werden we via een zijdeur binnengelaten bij de tentoonstelling. Misschien is dat altijd wel zo, maar nu was het onder begeleiding.

Je begint direct met de Bonifatiusgeschiedenis. Die is aardig opgezet met enkele interessante artefacten. De teksten zijn alleen niet helemaal ideaal voor een museum, namelijk lang en niet erg actief (ik ben zelf niet van de school die vindt dat een tekstbordje nooit meer dan 50 woorden mag bevatten, maar dat terzijde). Enig oppoetswerk en misschien iets betere belichting zouden hier wonderen doen. Na een hoorspel in een ruimte met een tiental poppen die al naar gelang hun belang in het verhaal verlicht worden met een spot, komt je nog langs wat samengebracht antiek. Al met al een heel aardig museum dat bij een eerste bezoek aan Dokkum niet mag ontbreken.

Verder erg gaaf kunstwerk ‘De IJsfontijn‘ op de Markt naast de kerk waar net een kermisattractie opgezet werd. Dat laatste gaf nog een wat treurig gevoel…

Wad

Stop twee: kwelders. Winderig en schapen op de weg. Wandeling van 6 kilometer buitendijks en voornamelijk erg groen. Ik denk dat het geheel een stuk spectaculairder is in de lente of de winter. Ook nog een bunker, de Noard-Fryslân Bûtendyks – Uitkijk ‘bunker’, waar je bovenop met behulp van een draaischijf de omgeving kunt verkennen.

Pingjum is voor pizza

Mijn freelancekantoorgenoot schreef ooit dat je voor pizza naar Pingjum moet. Laat dat nou relatief om de hoek van onze camping liggen. De Bob was van tevoren bepaald en verder: smullen maar. Het lokale zeebanket van kokkel en scheermes als voorgerecht was erg fijn. Interessant vond ik vooral dat het ene scheermes lekkerder was dan de andere. Ik ben overigens niet geheel zeker of ik ooit eerder zoveel scheermessen in een keer verorberde, dus dit was sowieso onderdeel van een kennismakingstraject met dit weekdier.

De pizza, tja, prima pizza. Niks mis mee en inderdaad, de dunne bodem doet het goed. Een bord zonder rand was makkelijker geweest om te snijden met zo’n pizzasnijder. Een schaar had ook gekund.

Dit stukje wijkt af van de normale schrijfsels op dit blog, maar reizen kan ook dichterbij, in Nederland. Ook dat verdient af en toe een tekst en een foto.

© OpenStreetMap-auteurs

De ANWB-paddenstoel en een Romaanse kerk

Hij raakt eruit, de ANWB-paddenstoel. Jammer misschien, maar het fietsroutenetwerk met de bolletjes en nummertjes doet tegenwoordig goede zaken. Interessant is dat de typische bewegwijzering ontstond tijdens de Eerste Wereldoorlog toen het binnenlands toerisme snel toenam en de ANWB meer wegwijzers ging plaatsen. Omdat ijzer schaars was, plaatste de wielrijdersbond betonnen paaltjes. Enfin.

Cornjum of Koarnjum ligt, zoals je ziet, niet heel ver van Leeuwarden, maar je bent er wel direct even uit. Het dorpje heeft ook nog een state, de Martenastate. Die ligt er mooi bij. Een neorenaissancebouwwerk uit het begin van de twintigste eeuw, inclusief torentje, omringd door een slotgracht. Lindebomen, beuken, eiken, je kent het wel. En stinzenplanten, dat zijn sierplanten die alleen bij landgoederen en dergelijke te vinden zijn. Of stinsenplanten trouwens.

Een rondje wandelen in de buurt is geen straf en met de af en toe overscherende straaljagers van de nabijgelegen vliegbasis voelt het bijna als thuis onder een aanvliegroute. In een minuut of twintig ben je van Koarnjum naar Jelsum gestiefeld, al dan niet met behulp van het welbekende wandelroutenetwerk of natuurlijk een ANWB-padden(n)stoel. Niet geheel toevallig ligt in Jelsum ook nog een interessante state met museum, de Dekemastate (die helaas op deze 28ste juli gesloten was in verband met het coronavirus).

Een grote groep platanen op het pleintje midden in het dorp Jelsum hangt vol met stalen vogels, een kunstproject. Een steenworp verderop ligt de Sint Genovevakerk op een grotendeels afgegraven terp. In het verleden werd terpaarde duur verkocht aan het westen van het land omdat het goede grond was, na honderden jaren alle huisvuil en andere zooi erover uitgestrooid te hebben.

Romaanse kerk

De Sint Genovevakerk heeft een lange geschiedenis, zoals bijna alles in Friesland. Dat vergeten je wel eens, maar Groningen en Friesland worden al heel erg lang bewoond. De oudste onderdelen van deze kerk stammen dan ook uit de 12de eeuw, iets dat je mooi kunt zien door de Romaanse elementen van tufsteen in de muren, vooral de noordzijde (die niet op een van mijn twee foto’s staat). Toch al ruim na Bonifatius.

Het koor van de kerk is wat nieuwer, uit de 15de eeuw, met Gotische vensters. Helaas was de kerk zelf dicht en moesten zodoende het interieur van de eenbeukige kerk missen. Op de website Alde Fryske Tsjerken staat te lezen dat het geheel wordt overkapt door een laatgotisch houten tongewelf dat allerlei versieringen heeft, iets dat je niet meer vaak tegenkomt.

De omgeving deed mee een beetje denken aan Zuid-Frankrijk, à la campagne met allemaal van die zandstenen grote boerderijen. In plaats van die typisch Franse hoeves hier natuurlijk vol met kop-hals-romp-boerderijen. Het zandsteen is hier baksteen en de vorm is totaal anders, maar ergens was het voor mij een vergelijkbaar gevoel. Een fijn gevoel en een stuk dichter bij huis.

Om het af te sluiten nog een plaatje van de toegangspoort van de Dekemastate met wapen:

Dekemastate in Jelsum, Friesland

Dit stukje wijkt wat af van de normale schrijfsels op dit blog, maar reizen kan ook dichterbij, in Nederland. Ook dat verdient af en toe een tekst en een foto.

Treinfietsen

Treinfietsen

Geen fiets in de trein. Eerst besef je niet dat het normaal is, zoiets waarvan je pas merkt dat het een gemis is als het niet meer mag. De fiets in de trein.

Misschien is juist dit het moment te bedenken wat aan het fiets-in-de-trein-systeem beter kan. Het moment van bezinning nu iedereen het openbaar vervoer links laat liggen.

Een voorstel: kom met een fietswagon. Een fietsenstalling op wielen. Na de spits enkele keren per dag via de lange intercitytrajecten tijdens de zomermaanden, zo tussen begin maart en half november.

Het geeft autolozen de mogelijkheid makkelijker verder met de fiets in eigen land te gaan. Of naar Duitsland waar fietswagons in bepaalde gebieden al lang standaard zijn. Vroeger zag je ze ook in de intercity naar Berlijn, geen HSL trouwens, gewoon die boemel. Of België, daar zijn ze ook.

Geef autobezitters de mogelijkheid hun rubber te verwisselen voor staal, de ijzeren weg van het ruimtetechnisch efficiëntere OV.

Critici zullen zeggen dat er een prachtig OV-fietsennetwerk is, dat je je eigen fiets niet nodig hebt. Dat is ook zo! De OV-fiets is ideaal in veel gevallen, voor dat korte, kleine stukje in de stad van een kilometer of wat. Ook is ie nog eens bijna de helft goedkoper dan een fietskaartje voor de fiets-in-de-trein. Maar voor de fietsvakantieganger, fietstoerist, vermoeide toerfietser, door slecht weer overvallen fietser-net-te-ver-van-huis en wat nog meer, is de OV-fiets niet toereikend.

Of gewoon voor de niet-tegenwindfietser, de fietser die het “wind-mee systeem” (sic) gebruikt, beschreven door Bob den Uyl in zijn handleiding voor de rusteloze zwerver ‘Wat fietst daar?

Wat fietst daar? Bob den Uyl, eerste druk, 1970

Met tegenwind fietsen doet volgens Den Uyl zoveel af aan het genot van de toerfietser dat het beter is zo lang mogelijk met de wind mee te fietsen, om dan de trein terug te nemen. De ‘handleiding’ staat overigens vol met meer interessante observaties over ons Nederlandse fietsgedrag, zoals dat we zweren bij een zware gietijzeren fiets in plaats van een lichte toervariant, alsof de Nederlander nog niet doorheeft dat er inmiddels ook lichtere materialen bestaan.

Den Uyl heeft wel een bijzondere hoop, in een tijd waarin het fietsen juist sterk afnam door autobezit, dat voor zijn eigen fietsgenot de rest van de mensen in de auto blijft zitten, anders wordt het te druk op ‘s lands wegen.

Google Cardboard VR Photo’s of unusual places

Google Cardboard VR Photo’s of unusual places

Upped January 30:

… Or better said: places you normally wouldn’t take pictures.

Upped January 16:

In order to get working Cardboard Camera pictures, you should download the original *.vr.jpg-files. Those are not linked from the photo carrousel (because of size and stuf like that) but can be obtained from the links below :-)

They include sound (wind, always wind). Apart from wind, also sounds of piles being drilled into the ground (so the houses don’t subside, you know Amsterdam is build on poles and piles).

Westerdokskade under the bridge (photo 1)
Zandhoek/Zoutkeetsgracht Amsterdam (photo 2)
Meeuwenplas Hooghalen (photo 3)
Amsterdamse Waterleidingduinen (photo 4)
Amsterdam Lelylaan, train station (photo 5)
Amsterdam Noord, Mt. Lincolnweg (photo 6)

From Volkskrantgebouw to Volkshotel

From Volkskrantgebouw to Volkshotel

The Volkshotel in the former building of the Volkskrant, still one of the largest newspapers in The Netherlands, transformed during the past year (and the years before that) into an almost new building.

I’ve been experimenting with many different (old) camera’s the past few years. It turned out I took quite a few pictures before, during and (almost) after the make over of the once modern building since I became a member of Bureau Wibautin the Broedplaats** in the VK-building.

Used cameras: Nexus 4, Polaroid (SX-70 and 600), Kodak Brownie model 2, Agfa Rekord II, Venaret

There’s a big disadvantage using a scanner for Polaroids: the tiny layer of plastic shielding the picture from the outside world is thick enough to make the picture look out of focus or just a bit unsharp..

* Bureau Wibaut, a collective of journalists and other media-producing people
** Broedplaats: artist run initiative, a place where rents are relatively low and creativity is high

HowTo: walk or cycle in Amsterdam*, a tourist guide

HowTo: walk or cycle in Amsterdam*, a tourist guide

The rules of thumb are pretty simple:
Walk
  • If you want to cross a street, start walking, but do not change speed or direction. The Dutch cyclist will always try not to hit to avoid you. The cyclist cannot avoid you when you stop at once in the middle of the street because you got scared. Now the trajectory which was formed beforehand in the cyclist’s brain, is wrong and the cyclist may hit you after all.
  • If you look up to admire the beauty of the canal houses, do not fall of the pavement (many do, true!).
  • Do not walk on the road, this is the part of the street which usually contains Dutch clinkers in older cities, including motor traffic (a few cars, a lorry here and there, some scooters and cyclists)
Cycle
  • You’re a tourist. You know nothing of the Dutch unwritten rules of cycling. Don’t try to act like your Dutch, which means: when Dutchies cycle in the opposite direction on a cycling path (which is not allowed) they do it because they can. When you try to cycle in the opposite direction, you usually don’t do it the right way. And explaining ‘the right way’ is just not possible.
  • Cycling on the pavement is often done by Dutchies, but – apart from the fact that it’s pretty annoying – this is not allowed either. You’ll never learn to do it the ‘right’ way (personally I dislike pavement-bikers very much, unless I do it myself)
  • If you rented an airbnb-like place or stay at a friends house and you’re allowed to use the beaten up Dutch bikes, please add a red flag or something telling Dutch road users you’re a tourist. Remember, you’re in disguise now. Rental bikes say: this is someone who probably hardly ever cycles. Keep distance, maybe ring your bell.
  • You should Not ring the bell. It’s for warning signals only, not a toy (which means: when you’re in a scary situation, ring it!)

From left to middle: pannier, front racks, front basket, child seat,
From left to middle: pannier, front racks, front basket, child seat,

Well, that was quite a list. How to lock your bike and other stuff will probably be explained by your bike rental shop.

Why those ‘rules’? It’s fairly simple. When I cycle through the stunningly beautiful city centre of Amsterdam I cycle pretty fast. I can’t help it. My daily regular cycling schedule to and from the office totals at least 11 kilometres**. Any other one way cycling trip usually adds about 5 km to that amount (so if I go and have a drink in the city, I’ve cycled about 21 km that day). Not only when the Sun is shining or when there is a pretty strong breeze. No, everyday. Sun, rain, snow, cold, warm, dark, light, dusk or dawn. It doesn’t make a difference.

But then, always around: tourists. During the holiday season they are as ubiquitous as the bikes. Hopefully this blog helped you understand how the local cyclist feels and thinks and keep you out of trouble!

Have a pleasant stay!

* Or any other city with many cyclists
** Miles, miles. Please! The US, Birma and Libya use the Imperial System. The rest uses SI (France: Système international d’unités) or International System of Units. OK, one time and one only: 11 km = 6.835 miles.

 

Coordinaten van Tong van Lucifer: 52.44150000 N - 5.44116667 E

Check out the flat land: the Flevopolder

Meerkoetenweg
Meerkoetenweg

The Netherlands are flat. Very flat. That flatness is one of the things to experience when you go there. Yes, you’ll see a glimpse when you arrive at Schiphol Airport (AMS) but no, that’s not what it really looks like. Yes, there are regular daily guided tours to the oldest pieces of reclaimed land called polders  just north of Amsterdam, which are very pretty. Beautiful old wooden windmills. Some old steam driven pumping stations and meandering ditches and canals.

Now come and experience flat. The largest polder ever created in this low country is the Flevopolder. It measures 970 square kilometres, divided in two parts. And that’s exactly where you should go: the dike which divides this huge polder in two.

First of all, it’s close to Amsterdam. For most visitors to this small country it would even be close to Maastricht, which is probably the furtherest you can be from this polder. One of the advantages is you can get a marvellous view of the polder by sitting on the train. Just go to Amsterdam Central Station and jump on the direct train to Lelystad. The ride takes only about 45 minutes.

The city of Lelystad was founded in 1967 and was named after the man who engineered the Afsluitdijk, making the reclamation possible in the first place. As a city it is not a very interesting spot (yet?), but when you’re into modern architecture or want to see a replica of a 1628 trading vessel used by the Dutch East India Company it’s worth leaving the Lelystad train station.

Although the train ride is rather beautiful, you may want to rent a car or maybe even a car with a driver (as driving can be an unpleasant experience in Amsterdam when you’re not used to bicycles*). The A1 and A6 motorways (free of bicycles) take you to the polder within twenty minutes. After a while, leave the motorway, get out of the car and look around. You won’t get lost. The total round trip from Amsterdam centre to the centre of Flevoland (the polder’s real name) including some sight seeing, is about 120 kilometres.

But, first things first. When entering the polder, you’ll pass a city called Almere. Its first buildings weren’t erected until early 1976. The city is quite large, according to Dutch standards, but has hardly any cultural hotspots. It has quite an interesting infrastructure because of its separate infrastructure for bikes, cars and buses.

After the last bits of Almere, you’ll pass a few concrete elephants and a bridge. After that, a vast canvas consisting of agricultural land, unfolds. Roads traverse in straight lines through the fields. Here and there a farm and windmills (the modern, electricity generating ones).

As stated before, the polder is divided in two parts: the eastern and the southern part. The dike dividing the two parts is practically in the middle with the motorway running over it.

Coordinaten van Tong van Lucifer: 52.44150000 N - 5.44116667 E
The ‘Tong van Lucifer’, artist: Rudie van de Wint

On this dike you’ll see a piece of art called the ‘Tongue of Lucifer’ which makes an excellent side trip. Just after you spotted the artwork on the dike, there is an exit going right to Lelystad. Get off there. At the end of the exit lane, go right again and take the second to the right (yes, you’re driving back south west after going north east for about twenty minutes). This should be the Meerkoetenweg. At the end of the road you can’t do much more but park the car, get out of the vehicle and walk al the way to the Tongue. Impossible to miss (except for when all the copper would be stolen again, this happened a few years ago). Before you ascent the dike, realise you’ve been driving and now walking on an old sea floor! There used to be between 2,4 and 3 metres of water above your head.

After walking on the dike for a while and when visibility is good, the flat, engineered land will get to you. This asks for more. Jump back in the car, and take the first road to the right, direction N706. At the N706, direction Amsterdam, take another right after about five minutes on the Reigerweg, direction Oostvaardersplassen. The Oostvaardersplassen are an example of what happens to new land when you don’t touch it for a few decades. Dutch people call it ‘wilderness’. You can’t enter the ‘wilderness’, but there are some nice lookouts on the outskirts. A particular nice one sits in the corner of the Reigerweg and Praamweg. Bring binoculars if you can.

Just follow the road. After a few corners, you’ll be on the southern tip of Lelystad. From there you drive back all along the dike separating the IJsselmeer from the Oostvaardersplassen. Viewpoints all over the place.

Before you know it, you’ll be back in Amsterdam but with a different view of the Netherlands and its countryside.


View Larger Map

* Dutch people on bicycles are close to impossible. If you hit one with a car, the car (driver) is always guilty (with a few exceptions).