De vroege Middeleeuwen in een pan-Europese tentoonstelling

De vroege Middeleeuwen in een pan-Europese tentoonstelling

Mensen zijn nieuwsgierig en reizen veel en graag. Niet alleen nu, maar ook in de vroege Middeleeuwen. De tentoonstelling ‘Crossroads, reizen door de Middeleeuwen’ in het Allard Pierson museum toont dat aan met zo’n 350 objecten die laten zien dat ook toen veel gereisd werd. De objecten komen uit een tiental musea en instituten in Europa, verkregen door een intensieve samenwerking.

“De donkere Middeleeuwen tussen 300 en 1000 na Christus worden nog steeds met modder, geweld en slecht Latijn geassocieerd“, zegt Peter Heather, Brits historicus van de Late Oudheid en Vroege Middeleeuwen tijdens een toespraak voorafgaand aan de opening van de tentoonstelling. De periode is volgens Heather extreem slecht bestudeerd,terwijl het overgrote deel van de structuren die nog zo zichtbaar zijn in het huidige Europa, toen zijn gevormd. Heather pikt er een paar voorbeelden uit, zoals het ontstaan van de Slavische talen, de reden dat West Europa een ‘power house’ is, waarom Europa voor het overgrote deel Christelijk is en waarom er zo’n groot verschil zit tussen de ene kant van het Middellandse Zeegebied en de andere kant. Maar het algemene beeld over de vroege Middeleeuwen is blijven steken in een verdraaid beeld uit de Renaissance, het was heel praktisch de oude structuren als achtergesteld weer te geven, en een beeld uit de 19de eeuw dat gelijkstaat aan geweld, donkerte en fabels, denk het fantasy-genre wat we te danken hebben aan Dracula, Frankenstein en Tolkiens Ring-trilogie.

Rond de twee hoofdthema’s ‘diversiteit’ en ‘connectiviteit’ wil de tentoonstelling dat beeld bijstellen: Europa in het grote geheel binnen de context van verschillende culturen en veranderende verhoudingen. Heather verwoord dat mooi: “Al die mensen, die waren precies zoals wij. Dat springt er voor mij [Heather] uit. Je ziet dingen die ooit door andere, medemensen zijn gemaakt, dat blijft heel bijzonder.” Dat laatste is vooral bijzonder als je bedenkt dat er weinig overgebleven is uit die tijd omdat het meeste of vergaan is (hout) of, als het metalen betrof, omgesmolten tot nieuw wapentuig of nieuwe sieraden.

Holografische vitrines

Mooi opgezet en uitgevoerd zijn de 3D-animaties die als ‘overlay’ op fysieke objecten zijn geprojecteerd in een zestal zogenaamde ‘holoboxen’ of holografische vitrines. Door middel van beeld en gesproken tekst krijgt de bezoeker zo extra informatie over verschillende objecten, zoals de achtergrond bij het Zwaard van Kunágota van het Hongaars Nationaal Museum. Belangrijk doel van de holoboxen is dat de bezoeker de voorwerpen op drie verschillende manieren kan bekijken, namelijk op neutrale wijze met juiste belichting, focus op details door geprojecteerde beelden en de context van het voorwerp.

This slideshow requires JavaScript.

Aan het eind van de tentoonstelling bevindt zich de zogenaamde ‘Cross Culture Timeline’ bestaande uit een scherm met een drietal projecties en een enkele iPad waarmee de bezoeker de achtergronden van verschillende voorwerpen naar voren kan halen. Bij dit soort onderdelen denk ik altijd: doe het niet. Vrijwel iedereen heeft een smartphone en kan dit soort dingen vele malen beter individueel bekijken. Geef een link en een QR-code waarmee iedereen op zijn eigen telefoon aan de slag kan. Nu is er maar één iemand die aan de knoppen kan zitten van een haperende iPad (applicatie te zwaar?). Waarom kan ik hier niet achteraf thuis nog bij? De informatie is er, maar de interface is niet praktisch. Het was bijvoorbeeld fijn geweest als het topstuk in een holobox meer ruimte had gehad. Die ruimte was er mijns inziens dus geweest.

Reiziger als hoogtepunt

De tentoonstelling is niet alleen opgezet langs een tijdlijn door de verschillende culturen heen, maar verhaalt ook over bekendere en minder bekende reizigers uit de Middeleeuwen. Helaas zijn die verhalen bij de opening van de tentoonstelling niet goed zichtbaar doordat de informatie zich op de vloer bevindt, maar er wordt gewerkt aan een andere manier van presenteren.

De Europese reizigers zijn wel heel goed terug te vinden in de bijbehorende publicatie. Het boek ‘Crossroads, reizen door de Middeleeuwen’, bevat naast meer academische artikelen ook verhalen van tien reizigers die in de tentoonstelling zelf aan bod komen, zoals in de introductiefilm. De verhalen geven een beeld van een Europa waar culturen elkaar juist versterken en zorgen voor kruisbestuiving tussen gewoontes en godsdiensten. Zo was het Christendom ooit pacifistisch, wat in de figuur van Sint Maarten aan bod komt, namelijk in de vroege Middeleeuwen werd hij niet geroemd om het – als Romeins soldaat – delen van zijn mantel met een bedelaar, maar juist als pacifist die hij later werd.

Ook de andere verhalen spreken tot de verbeelding: De olifant Aboel Abbas, een geschenk aan Karel de Grote; Theophano, een byzantijnse prinses in het boerse westen; Hasday Ibn Shaprut, een joodse geleerde aan het hof van de kalief; Egeria, een scherpzinnig pelgrim in het heilige land; Ahmad Ibn Fadlans Risala, een Arabische diplomaat die een reisverslag schreef; Sint Helena en de kerstening van het Romeinse rijk, Sigerik de Ernstige, een aartsbisschop in roerige tijden; Olympiodorus van Thebe, een diplomaat met een papegaai; Ohthere, een reiziger uit noord-Noorwegen.

Met veel interessante en vaak prachtige objecten uit zo veel verschillende musea en andere instituten in Europa onder de CEMEC-vlag*, maakt de tentoonstelling de moeite waard om te bezoeken. Mocht dat niet lukken, dan is er gelukkig ook een prachtig boek. Ik hoop dat de Cross Culture Timeline ooit nog op internet te vinden is, want dat zou mijns inziens veel recht doen aan al het werk dat erin zit.

* CEMEC: Connecting Early Medieval European Collections

Meer foto’s  van opening door Monique Kooijmans op Flickr

‘Deelfietsen’ belediging voor fietsers [update]

‘Deelfietsen’ belediging voor fietsers [update]

Briljant plan. Slechte uitvoering. Dit wilde ik niet schrijven. Echt niet. Voordat ik ooit op zo’n Flickbike plaatsnam verdedigde ik het concept, maar vooral ook de fietsjes. Dit laatste deed ik tegenover een Amsterdammer van midden 60. “Dat zijn toch prutfietsjes, ik heb eraan gevoeld en het is echt slappe zooi”, zei hij tegen mij. Ja, dat kan wel zijn, antwoordde ik, maar vermoedelijk zijn ze goedkoop en daardoor is het eventueel vervangen van zo’n fiets niet zo’n grote kostenpost.

Maar toen had ik er nog niet op gefietst.

Wel had ik de app gedownload en vond het wat vreemd dat die voornamelijk in het Engels was. Later las ik in verschillende interviews met een van de initiatiefnemers, zoals in Metro, dat de fiets vooral gericht is op Amsterdammers en dat die alle talen spreken, maar vooral en zeker Engels. Oké, fair point..

Niet voor de locals

Één ding weet ik zeker: ik ken vrijwel geen Amsterdammer of inwoner van Nederland die op een kinderfiets fietst na zijn kindertijd. It just doesn’t happen. Ook weet ik bijna zeker dat geen fietsenmaker een kinderfietsje verkoopt dat zo slecht fietst. Het verzet is waardeloos: je trapt je het schompes en de fiets is veel te klein. Minuscuul zelfs. De fiets zelf is nog best oké qua stevigheid en zou ik in vergelijkbare vorm maar dan een maat groter en met een beter verzet, accepteren.

Maar helaas, de fiets is wat ie is en dit is een belediging. Een belediging tegenover mensen die fietsen en dat apparaat gebruiken om van A naar B te komen. Wie heeft deze fietsen getest? Niemand? Heeft er niemand op gefietst alvorens ze goed te keuren? Ik word verdorie ingehaald door oudere dames op fietsen zonder elektromotor. Iedereen haalt me in en ik ben he-le-maal kapot na een kwartier fietsen. Ik fiets praktisch elke dag minstens 12km en zou toch tenminste wat fiets-conditie verwachten. Hiermee jaag je mensen niet van de scooter naar een fiets of van een auto naar een fiets, je zult ze hooguit een bevestiging geven dat fietsen echt zwaar #$&*&* is.

Ooit fietste ik in Cambodja op een slecht fietsje. Vergelijkbaar ding als een Flickbike en vermoedelijk een oBike (de fietsdeelfiets in Rotterdam, zag er in Amsterdam een paar voor een hotel staan, vrijwel zelfde uiterlijk en afgaande op kritiek op internet lijkt hetzelfde euvel te bestaan: je kunt nog beter rollatorraces gaan doen). Ik leende de fiets van een vriend in Siem Reap. Iedereen rijdt daar op scooters, werkelijk voor elke scheet. Ik kon alleen maar denken: het is ook niet zo gek als je zulke belabberde fietsen gebruikt dat iedereen op een scooter gaat zitten, zelfs voor die kippeneindjes. Ik begreep het eigenlijk niet. We fietsen al zo lang en weten echt wel hoe we voor weinig geld een goed fietsende fiets moeten maken, toch? Niemand maakt mij wijs dat we dat niet kunnen. Ook Chinezen kunnen dat lijkt me.

Terug naar nu. Naar vandaag, de dag dat het ideaal leek om een Flickbike te gebruiken. Mooi weer en wat noodzaak tot heen en weer te fietsen. Zelf ben ik 1,93 en in de hoogste stand komen komen mijn knieën elke keer trappen in een 90-gradenstand terug. Dat kan voor 5 minuten, maar de gemiddelde fietsafstand tussen centrum en bijna-alles-binnen-de-ring (het werkgebied) ligt op een normale fiets tussen de 10 en 30 minuten. Een no go dus voor het gros van de mensen die gewend is te fietsen in de stad. Na op en neer gefietst te zijn overweeg ik zelfs een taxi te pakken terug. Uiteindelijk ben ik waarschijnlijk gewoon een kniepert en ga ik terug proberen te ov-en, maar het laat zien hoe slecht het met de fietsjes gesteld is.

Oneerlijke concurrentie?

Waarom verdedigde ik het concept? De negatieve verhalen in verschillend kranten heb ik ook gelezen. ‘Verkapte verhuur aan toeristen’, ‘Dit gaat net als Airbnb de spuigaten uitlopen’, ‘Oneerlijke concurrentie’, ‘Door de belastingbetaler betaalde fietsrekken worden gebruikt voor fietsen waarmee geld verdiend wordt’, enzovoort. Maar met die instelling krijgen we een deel van de mensen nooit van de scooter af of uit de auto.

Stel, je wil je hele vervoersnetwerk veranderen, je wil van eigen auto’s af en het mogelijk maken overal te kunnen reizen zonder eigen bezit, dan moet je aan verhuurplannen die goed functioneren. We noemen het ook wel ‘deeleconomie’, maar dat is natuurlijk je reinste onzin. Het is gewoon een systeem om simpel en snel een fiets te huren. Zelf denk ik dan aan het gebruik van een huurauto die net te ver weg staat om even te lopen: je pakt een huurfiets en jumpt 1000 meter verder in een huurauto. Of je bent met de trein en je hoeft niet terug naar het station – dan kun je niet met goed fatsoen de veel betere OV-fiets nemen, want die moet weer terug.

Vooralsnog heb ik geen Amsterdammers op de fietsjes gezien. Wel Aziatische toeristen en dat is precies wat de fietsjes zijn: kleine fietsjes gericht op een heel andere markt. Daarin hebben de klagende ondernemers in het artikel van Trouw wel een punt.

Leest dat, Ode aan E-nummers

Leest dat, Ode aan E-nummers

En om precies te zijn pagina 87 in de papieren versie: “De belangrijkste boodschap die ik voor al die mensen heb, is dit: we concentreren ons op de verkeerde dingen. (…) We gaan niet dood aan kaas of pasta (…) Wij gaan niet dood aan bewerkt voedsel (…) Wij gaan niet dood aan E-nummers (…) genetisch gemodificeerde gewassen, emulgatoren (…) We gaan dood aan een groep volledig simpele biologische ingrediënten zonder E-nummers. Dat zijn suiker, vet, alcohol en tabak. (…) Je hoeft alleen maar in een gemiddeld ziekenhuis te kijken, waar afdelingen vol liggen met patiënten die te veel van die stoffen hebben genuttigd. De stoffen die onze gezondheid bedreigen, hebben geen E-nummer.”

Waarom deed ik dan zo gepikeerd in mijn vorige blog over het boek? Ten eerste omdat ik het nog niet gelezen had. Waarom niet terwijl ik het al als e-book op mijn e-reader had staan? Omdat ik reageerde op alles wat ik tot dan toe las in de krant, hoorde op de radio of zag op tv: een columnist die niet begrijpt dat er mensen zijn die niet begrijpen waarom mensen gedegen wetenschappelijk onderzoek afwijzen én dat er mensen zijn die wel van koken houden. Dat eerste begrijp ik ook niet, maar het maakt zowel Rosanne Hertzberger als mij minder sympathiek.

Het tweede onderdeel wat ze met grote glimlach structureel wereldkundig maakte, ook in haar boek, is dat ze een hekel heeft aan koken. Dat is prima, ik heb een hekel aan echt sporten. En ook aan dingen waar je een hekel aan hóórt te hebben, zoals te veel scooters, racisten en ga zo maar even door. Alleen dat ik aan sport (ik heb het dus niet over bewegen) een hekel heb, stuit structureel op onbegrip. “Het is fantastisch!” “Je moet er even doorheen!” “Als je tot het gaatje gegaan bent, dan…!” En verzin nog maar wat meer superlatieven van fanatieke sporters of mensen die door sport zichzelf ineens honderdduizendmiljoenmiljardmaal beter zijn gaan voelen. Lijkt verdacht veel op biologische-ik-eet-geen-suiker-maar-honing-echt-waar-en-nu-voel-ik-me-fantastisch!-mensen.

Vergelijkbaar met mijn sport-aversie houdt Hertzberger niet van koken. Wel van eten, want zonder eten gaat het niet. Lekker eten boeit haar niet zoveel, maar gegeten moet er worden. Dus dat doet ze dan ook. Het liefst zo gezond mogelijk. En zo makkelijk mogelijk. Maar ze trapt wel op mijn kookliefhebteen.

Nu weet ik dat zomaar analogieën ergens ingooien linke soep is. Misschien is sporten én veel normaal bewegen alsnog wel gezonder dan alleen maar veel bewegen. Waar het op neer komt, is dat Ode aan E-nummers een goed en interessant boek is met een grote berg aan interessante informatie, alleen is het jammer dat de stijl vaak lijkt op een columnachtige rant en eindigt met de terechte zorgen over een schonere planeet, een betere leefomgeving en al dat soort zaken. Misschien had ze dat beter om kunnen draaien. Hierdoor ben ik bang dat de E-nummer-haters nog dieper in hun loopgraven gaan zitten en de eigenlijke boodschap niet lezen.

Hopelijk prikken sommigen daar doorheen en leert het mensen kritischer kijken naar de grote berg beweringen op internet.

Eerder gepubliceerd op Medium

Koffiemolen

Koffiemolen

Leopold Vienna koffiemolenJe kent het wel. Een koffiemolen. Heel fijne apparaatjes voor als je verse bonen hebt. Je eigen mogelijkheid tot het vermalen van koffie en het kiezen van de grofheid. Maar een goede is prijzig.

“Waar gebruikt je het voor?”
“Gewoon, voor een percolator eigenlijk. Soms voor een cafetière of een bakje filterkoffie.”
“Dan kun je het best zo’n simpele handmolen nemen. Een goede elektrische kost al gauw tweehonderd euro en de fijnheid van een handmolen is voor jouw doel prima!”

Oké, klinkt heel logisch. En eigenlijk ben ik ook wel gecharmeerd van een handmolen. Lekker draaien. Nog iets doen voor je koffie. Heel prettig soms, een soort van ritueel en daar hou ik wel van. Rituelen, dingen die je een soort houvast geven, ook voor mensen die verder nergens in geloven.

Goedgemutst neem ik de handmolen à 29,99 mee naar huis. Een dingetje van Leopold Vienna. Redelijk stijlvol en met keramisch maalgedeelte. Heel goed. Thuisgekomen haal ik het geheel uit de verpakking, zet het in elkaar. Een simpele hefboom met een plastic draaiknop erop. Plaats dit geheel op een schroefdraad die aan twee zijden is afgeflakt en je hebt een heel basic systeem om de rechtstreeks op dezelfde stang aangesloten molen aan te drijven. Hoe fijner je de koffie wil, hoe strakker de binnenkant van de molen tegen de buitenzijde aan te drukken.

En draaien maar. Draaien. Draaien. Draaien. Draaien. Andere hand, draaien. Draaien. Draaien. Nee, dit is niet heel ideaal. Het draait en draait. Je moet vooral heel hard draaien. Dat krijg je met zo’n basic systeem. Geen ingewikkelde overbrenging waardoor een kleiner en een groter tandwiel zorgen voor een sneller draaiende molen. Hm. Wel een klein minpuntje, maar ik heb het er voorover. Het is tenslotte een ritueel. Een ritueel mag tijd kosten.

Er is meer. Het simpele systeem slijt. Zo komt er constant metaalvijlsel in de koffiebonen, maar vooral in het schaaltje van de bonen. Nu is het vullen van het gedeelte onder het schaaltje voldoende voor één bakje, het schaaltje raakt redelijk snel bevuild met metaalvijlsel. Ook oplosbaar, af en toe even afnemen. Je moet zoiets toch schoonhouden.

Vrolijk draai ik nog enkele maanden door. Niet dagelijks, maar met grote regelmaat. Af en toe haal ik ergens te dure bonen en tja, die wil je dan lekker malen. Voor zo af en toe, dat ene korte kopje, die fijne espresso uit de percolator of mocca. Soms iets grover afgesteld voor een bak met meer caffeïne door een filter.

Hij begint steeds meer te rammelen. Letterlijk. Het hefboomsysteem slijt. De schroefdraadas waar de hefboom op vastgeschroefd wordt, slijt. De heftboom zelf slijt. Het rechthoekig deel dat over het schroefdraaddeel van de as schuift, lubbert steeds verder uit. Misschien draai ik te hard, maar op den duur is het lam. En dat vind ik, zeker met het oog op de frequentie van gebruik, eigenlijk niet goed. En dat is een onderdrijving.

Al met al, het oogt leuk, maar handig? Nee, net niet helemaal. Duurzaam? Nee, helaas. Zeker niet voor het bedrag. Misschien leuk om te geven aan een koffiefreak, maar dan is het aardiger een antiek exemplaar te bemachtigen. En die heeft waarschijnlijk ook een systeem met radertjes en tandwieltjes waardoor een keer draaien resulteert in meer omwentelingen van de molen.

Ik geef geen cijfers. Ook geen sterren, maar een onvoldoende is het wel.

Rijksmuseum van Oudheden toont pracht van Carthago

Rijksmuseum van Oudheden toont pracht van Carthago

Eigenlijk zou hier een recensie staan, maar omdat een goed verhaal schrijven tussendoor helaas altijd meer tijd kost dan je denkt, komt het aloude adagium weer om de hoek: “we hebben de foto’s nog!”

Carthage in all its beauty in the Archaeological museum in Leiden. Pieces from the most important museums in Tunis, the Parisian Louvre and the British Museum.

Al die sterren die onze richting bepalen

Al die sterren die onze richting bepalen

Recensies. Daar gaat het om. Niet om navigatie met een sextant om de juiste route te bepalen. Of astrologie, als je daarin gelooft.

De meeste recensies hebben een maximum van vijf sterren. Die lees je. Vier misschien ook en één voor het leedvermaak. De rest sla je over. Daar heb maak je geen tijd voor.

Recensie Erik Voermans

Toch is dat spijtig. Een recent voorbeeld van een recensie die ik toch las – voornamelijk door de aanstekelijke titel – stond onlangs in het Parool. De recensent Erik Voermans schrijft een lovend lovend stuk over een nieuwe CD van de Turkse pianist Fazil Say en zijn interpretatie van verschillende piano-werken van Beethoven. Alleen de recensie zélf is ‘slechts’ beoordeeld met 3 asterisken, alsof het net niet goed is.

De aap komt uiteraard aan het eind uit de mouw: de opnamekwaliteit is volgens Voermans niet goed genoeg, wat waarschijnlijk de drie sterren verklaart. Ik begrijp dat de opnamekwaliteit een belangrijke maat is. Misschien zou de CD dan maar één asterisk moeten krijgen en vijf voor de interpretatie van de pianist. Dat kan natuurlijk ook, meerdere categorieën, zoals bij veel restaurant-sites. Maar het blijft verwarrend.

Dit is dan toevallig één voorbeeld. Eentje waar ik behoed werd voor het niet lezen door de titel ‘Levendig spel leidt soms tot wondertjes’, maar als de titel minder goed gekozen was…

Het zou fijn zijn als recensie-land de sterren zou laten voor wat ze zijn, namelijk: hemellichamen.

*bolletjes, vierkantjes of wat dan ook

Boek: Joseph Turow “The Daily You”

Wat we allemaal zouden moeten weten

Het was altijd de grote droom van de advertentie-industrie: iedere stap volgen die elk individu online zet. Die droom is steeds meer werkelijkheid, aangezien de software die elke online-handeling volgt, steeds beter wordt.

De volg-software zorgt voor de snelst groeiende online-business, namelijk die van het trackenvan individuen. Vervolgens bundelen bedrijven deze personen in wel of niet belangrijke potentiële klanten en die informatie wordt verkocht aan adverteerders. Hierdoor krijgt elk individu andere content voorgeschoteld en is ieders internet net even anders.

Waste versus target

Elke klik, ieder ingevuld formulier, elk bezoek aan een website, marketeers verzamelen over iedereen persoonlijke informatie om daaruit complete profielen van individuen op te bouwen waarbij het woord ‘anoniem’ vrijwel betekenisloos is, al lijken maar weinig mensen zich daar echt zorgen over te maken.

Sommigen van ons zijn voor de marketeers slechts ‘waste’ (afval, verspilling) en geen ‘target’ (doel). Dat zorgt niet alleen voor totaal verschillende belevingen op internet – de een krijgt wel een mooie auto voorgeschoteld, de ander slechts een b-merk – maar zorgt er ook voor dat een adverteerder alleen betaalt voor mogelijk ‘goede’ klanten. Dit klinkt in eerste instantie niet zo onlogisch, maar zorgt ervoor dat advertentie-inkomsten nog lager worden voor sites die daarvan afhankelijk zijn, met alle mogelijke gevolgen van dien: is nieuws nog onafhankelijk?

Joseph Turow, professor aan de Annenberg School for Communication in de VS gaat met dit boek in op de geschiedenis van adverteren en op hoe dat bij de verschillende massamedia, zoals krant en TV, werkte. Hij laat hier vooral zien wat de waarde van het grote getal is en hoeveel die waarde afneemt door het internet, wat weer tot gevolg heeft dat contentmakers minder verdienen en wat voor gevolgen dat gaat hebben.

Als je al een tijd meeloopt op internet en je wel eens iets verder hebt verdiept in het reilen en zeilen van dit wereldwijde netwerk, dan vertelt dit boek niet veel nieuws, al is het wel het eerste boek dat alles met betrekking tot adverteren en data-mining op een rijtje zet. Denk hierbij aan de zoektocht vanaf het begin naar mogelijkheden om mensen te volgen, al was het alleen maar om het kunnen bijhouden van wat er in het winkelwagentje zit. Dat resulteerde in de geboorte van de cookie.

Het boek verdiept en laat door een grote keur aan praktijkvoorbeelden zien hoe de wereld van websites, content, marketeers, adverteerders en wat al niet meer door al maar geavanceerdere software van de ‘advertising exchanges’ aan elkaar gekoppeld wordt.

Oude en nieuwe media integreren steeds meer met elkaar en zelfs de TV is niet meer de TV waarmee we opgegroeid zijn. Google en andere partijen proberen daar nu al op verschillende manieren slaatjes voor de toekomst uit te slaan: data van kijkers in combinatie met data van dezelfde smartphone- of internetgebruikers.

“De trein is net gaan rijden en we staan nog maar aan het begin van wat er allemaal gaat gebeuren,” schrijft Turow in het laatste hoofdstuk. Hij draagt ook een aantal ideeën aan die ons meer inzicht en weerbaarheid moeten geven voor ons dagelijks online bestaan. Zoals dat we niet vroeg genoeg kunnen beginnen met het onderwijzen van onze kinderen. Dat laatste klinkt misschien wat klein, het grote werk ligt toch bij de wetgever en zij die de wetgever controleren en daar komt de gemeenschap om de hoek.

Ondanks dat het boek voornamelijk op de markten in de VS gericht is, is het onmogelijk ons aan de beschreven fenomenen te onttrekken, daarom is het boek naar mijn idee een must read voor marketeers of zij die het fenomeen willen bestrijden. Daarentegen is het voor de geïnteresseerde leek te droog met alle diepgaande beschrijvingen van de verschillende praktijken aan de hand van bekende en minder bekende bedrijven die achter de schermen aan de touwtjes trekken.

The Daily You: How the New Advertising Industry Is Defining Your Identity and Your Worth

ISBN: 9780300165012

Publicatiedatum: 10 januari 2012 Yale University Press