Gratis geld! Nu! (En waarom je bank verdwijnt)

Gratis geld! Nu! (En waarom je bank verdwijnt)

Zo klonk het jaren geleden in mijn oren: je kon gewoon met je computer gratis geld ‘maken’. Bitcoins heetten die dingen. Hoe het precies werkte, interesseerde me eerst niet zo veel. Toch begon het al snel te kriebelen: dit is meer dan alleen maar goudzoeken.

Het is ergens eind 2011, een rustige tijd van het jaar. Donker, maar er is een lichtpuntje: je kunt zomaar gratis geld maken op je eigen computer! Wel wat vaag, maar toch. Ik downloadde een programmaatje en… Niets. 0.00000000 BTC bleef er staan. Stom. Programma weer verwijderd.

Een jaar later, weer december, weer tijd over. Aha! Dat programmaatje was niet waarmee je geld kon maken, daarvoor had je een ander programma nodig. En jawel, ik zette mijn eerste schreden op het pad van de miners. Ofwel de goudzoekers van onze tijd. Snel ging het niet en een Bitcoin, want daar hebben we het natuurlijk over, was te weinig waard om mijn computer daarvoor drie keer zoveel energie te laten verstoken. Ik wist toen in weken computertijd iets van 2,5 euro, een 0.00nogwat BTC, bij elkaar te sprokkelen.

Nu zijn er misschien een aantal woorden voorbij gekomen die je niet kent: miner, Bitcoin en BTC. Dat is niet erg, want het zijn ook vrij nieuwe woorden. Voor ik ze verder uitdiep, even terug naar mijn gepruts in 2012. Want dat was het. Ik had drie woorden opgevangen: ‘zelf geld maken’, en dat bleek voldoende om me aan te zetten allemaal regels code te kopiëren van internet om zo mijn videokaart (dat ding wat normaal beelden op je beeldscherm tovert) te laten rekenen, aan transacties die gedaan zijn op blokken van de blockchain van Bitcoin.

Mythische bedenker

Maar wat ik deed, dat was me eigenlijk volstrekt onduidelijk. En dat terwijl het toch echt uitgelegd staat in het artikel dat Satoshi Nakamoto, het pseudoniem van de nog steeds onbekende bedenker van Bitcoin, schreef in 2008. De titel van het artikel is: “Bitcoin: A Peer-to-Peer Electronic Cash System“. De eerste zin van dat artikel luidt: ‘Een pure, peer-to-peer-versie van elektronisch contant geld dat online betalingen mogelijk maakt die direct van de ene naar de andere partij gestuurd worden zonder eerst via een financieel instituut te gaan.’

Deze eerste zin is voor de gemiddelde leek, wat praktisch iedereen toen was, lastig om te doorgronden, ondanks dat de woorden op zich niet onbegrijpelijk zijn. Waarom zou je geen financieel instituut meer willen? Behalve dan een enkele libertariër die het liefst alle instituten de nek omdraait. En wat heeft peer-to-peer-technologie ermee te maken, iets wat de meesten alleen kennen van het downloaden van films. Daarna gaat het verder met termen als: ‘digitale handtekeningen’, ‘voorkomen van dubbel-uitgeven’, ‘timestamps’, ‘transacties die gehasht* moeten worden’,  ‘proof-of-work’, ‘langste keten’, ‘cpu-kracht’, ‘aanvallers voor zijn’, ‘nodes*‘, ‘berichten die worden uitgezonden’. Veel terminologie is op zich voor mensen die iets meer met computers doen niet onbekend, maar de combinatie daarvan, daarin zit hem de genialiteit van het Bitcoin-netwerk. Het lost namelijk het ontbreken van een vertrouwde derde partij op en het probleem dat digitale zaken makkelijk gekopieerd kunnen worden, iets wat zeker met elektronisch geld geen overbodige luxe is.

Wat is Bitcoin?

Dan weet je nu wat het is, die Bitcoin en de achterliggende techniek die niet veel later tot blockchain omgedoopt werd: digitaal vertrouwen, dat is het. We stellen ons als mens niet snel de vraag hoe iemand te vertrouwen, als mens weten we hoe dat werkt: je staat naast een ander mens. Die andere persoon geeft je 20 euro. Dan weet je 100 procent zeker dat je die 20 euro hebt gekregen. Dit is heel lastig uit te voeren op internet, maar het is oh zo nodig. Dus in plaats van te vragen hoe het werkt, had ik moeten vragen: welk probleem lost [de] blockchain, of toen nog Bitcoin, op?

‘Bitcoin is geen systeem van krediet, of schuld. Het is ook geen bedrijf of wat dan ook. Het is digitaal contant geld met een eigen waarde zonder dat daar een derde partij voor nodig is. Direct, zonder tussenkomst van anderen.’ Zo legt Andreas Antonopoulos, een van de voorvechters van Bitcoin van het eerste uur, het graag uit in zijn talks. Hij stelt het heel simpel: het wordt steeds moeilijker dingen met contant geld te betalen en tussen elke betaling zit een bedrijf of een keten aan bedrijven. Bij Bitcoin is dat niet het geval. Niemand kan een bitcointransactie tegenhouden. Ook niet als er een regering of bedrijf is die wil dat die transactie niet plaatsvindt om wat voor reden dan ook. Het gaat Antonopoulos in eerste instantie om vrijheid en dat we ons zeer bewust moeten zijn van de vrijheid die we inleveren door ons over te leveren aan zo veel derde partijen die met ons geld omgaan en onze privacy. Partijen die we allemaal vertrouwen, totdat het misgaat of een regime sterk van karakter verandert. En dat dit ook bij ons kan gebeuren, is helaas zeer goed duidelijk geworden met de verkiezing van Trump.

Zo dacht ik zelf dus nog niet na over blockchain in het begin, namelijk het oplossen van de vertrouwenskwestie. Toch was me al snel duidelijk dat het meer was dan geld alleen. Klein voorbeeld: wat ik heel gaaf vond en vind, is dat elke transactie op internet te volgen is. Je kunt elke transactie die ooit gedaan is inzien op de blockchain. Dat is waar ik begon. Dat wilde ik snappen, maar achteraf had dit geen betekenis zonder begrip van online vertrouwen tussen onbekende partijen.

 

De Wiebelende Cijfertjes: Forex Trading Kraken

Fast foward naar nu

Inmiddels zijn we een jaar of vijf verder en hebben honderden ouderwetse bedrijven zich gebogen over de gebruiksmogelijkheden van blockchains. Daarnaast zijn er duizenden nieuwe bedrijven, bedrijfjes en instellingen ontstaan die bezig zijn met blockchains en sommige van die ontwikkelingen zullen uiteindelijk heel belangrijk worden voor ons normale stervelingen. Alles wordt verbonden. Alles.

Laat dit rustig op je inwerken. Alles is toch al verbonden? Ja, heel veel is al verbonden en met het Internet of Things wordt dat steeds meer. Maar de ijskast laten betalen aan de supermarkt vergt nog heel wat stappen, al te beginnen in welk land je woont, welke stad, welke supermarkt je gebruikt, wat voor betalingen die accepteert, etc. etc. Via blockchaintechnologie, ja ik gooi hem er gewoon in, kan dat in de toekomst zonder gedoe. De hele transactie, dus ook de boodschappen zelf, kunnen eraan gekoppeld worden. En die weer aan andere benodigde transacties, zoals directe verrekening van btw en accijns. De grootgrutter hoeft de btw-boekhouding niet meer te doen, dat gaat rechtstreeks naar de schatkist. En niet alleen dat, stel de parkeertijd van de zelfrijdende bestelbus die de goederen bezorgt kan zo bijgehouden worden om vervolgens via een microtransactie naar de gemeente parkeergeld te betalen. Ah, de gemeente. En het rijk. En wat al niet meer. Alles is in die zin te automatiseren en dat klinkt sommigen misschien als muziek in de oren: niet meer zelf nadenken, alles door het systeem laten doen.

Maar het idee van ‘geen banken meer nodig om iemand via internet te betalen, alsof je cash gebruikt’, wordt zo wel heel snel overboord gegooid. De mens is dan überhaupt niet meer nodig voor transacties. Zo kun je zelfs volledig autonome bedrijven oprichten waar naderhand geen mens meer aan te pas komt. Dat zorgde tot nu toe overigens voor een paar grote zeperds, maar het kán.

Ponzi’s en louche zaakjes

Als ik dit zo opschrijf, begrijp ik heel goed waarom ik niet begreep waarom het zo interessant was. Wel voelde ik een bepaalde kriebel, iets in je achterhoofd dat aangeeft: hier is iets mee. De meesten in mijn omgeving vonden dat ik naar een ouderwetse Ponzi aan het kijken was, ofwel klinkklare oplichting. Mensen associeerden Bitcoin met duistere zaakjes en daarmee was de kous af. Pas veel later kwam ik in contact met mensen die er dieper inzaten en ook echt met bepaalde toepassingen bezig waren die heel veel verder gingen dan hopen of je Bitcoin of vergelijkbare cryptomunt meer geld waard werd.

En toch wist nooit iemand uit te leggen waarom dat idee van die blockchain zo ontzettend ingenieus en interessant is. Dat lag ook zeker aan het feit dat ik nooit de goede vraag stelde, maar alleen de eerder genoemde  ‘hoe werkt het’-vraag. Dat laatste was misschien ook niet zo gek. In die begintijd sprak ik nooit met mensen die de waaromvraag nog moesten stellen. Ik vermoed zelfs dat velen daar eigenlijk niet zo mee bezig waren. Het was dan ook een turbulente tijd met bijzonder interessante types, soms zelf met ruzies die tot ouderwets handgemeen leidden.

Nu we de waaromvraag beantwoord hebben, komt de volgende stap: het begrijpen hoe diep dit op onze levens kan ingrijpen. Begrijp me niet verkeerd: ik denk dat er heel veel praktische kanten zitten aan het gebruik van deze technologie en afgeleiden daarvan. Wel maak ik me zorgen om de gretigheid waarmee bepaalde regeringen de technologie omarmen. Estland was er vroeg mee, maar nu wil Dubai als eerste een volledig op de blockchain gebaseerd systeem hebben om het land te besturen. Laten we uitgaan van nobele intenties, maar met even verder denken kan het aardig grimmig worden.

Toekomst

Voordat iedereen nu bang wordt voor blockchaintechnologie: laten we vooral in gesprek blijven over wat we zien als wellicht mooie ideeën en plannen en wat niet. Bitcoin werd bedacht om transparant te zijn en als we in die gedachte verder gaan, dan kan een idee met voldoende openheid veel praktische voordelen opleveren.

Zo is er een bedrijf in Nederland dat huizen koopt met meerdere eigenaren en vervolgens verhuurt en de huurpenningen verdeelt onder de verschillende huiseigenaren. Er zijn vergevorderde plannen om journalisten via een bepaalde blockchain veiliger hun werk te laten doen in landen waar het niet zo nauw genomen wordt met censuur en erger. Of het idee om donaties aan daklozen te doen via een blockchain zodat de donateurs weten dat het geld niet aan de strijkstok blijft hangen maar terechtkomt bij de mensen waar het voor bedoeld is. Of voor een eerlijkere verdeling van voedsel. Of een veiliger internet-of-things. Of een betere afhandeling van rechten van musici en andere rechthebbenden. Of worden er een soort van banken opgericht waarbij iedereen een rekeningnummer kan aanmaken. Iedereen, zonder dat je daar iets van legitimatie voor nodig hebt. Direct. En je kunt ook nog wisselen tussen allerlei munten en ‘normale’ valuta. Ja, het gaat best rap.

Maar eerlijk is eerlijk: lang niet alles moet in een blockchain gepropt worden. Nu is de tijd te experimenteren en fouten te maken. En die worden gemaakt. Veel, heel veel. Maar in mijn ogen: liever nu dan als we alles er zomaar klakkeloos mee op willen lossen.

* Hash: toegevoegd aan Dikke Van Dale in 2009
* Node: voorlopig toegevoegd aan Dikke Van Dale 2017

‘Deelfietsen’ belediging voor fietsers [update]

‘Deelfietsen’ belediging voor fietsers [update]

Briljant plan. Slechte uitvoering. Dit wilde ik niet schrijven. Echt niet. Voordat ik ooit op zo’n Flickbike plaatsnam verdedigde ik het concept, maar vooral ook de fietsjes. Dit laatste deed ik tegenover een Amsterdammer van midden 60. “Dat zijn toch prutfietsjes, ik heb eraan gevoeld en het is echt slappe zooi”, zei hij tegen mij. Ja, dat kan wel zijn, antwoordde ik, maar vermoedelijk zijn ze goedkoop en daardoor is het eventueel vervangen van zo’n fiets niet zo’n grote kostenpost.

Maar toen had ik er nog niet op gefietst.

Wel had ik de app gedownload en vond het wat vreemd dat die voornamelijk in het Engels was. Later las ik in verschillende interviews met een van de initiatiefnemers, zoals in Metro, dat de fiets vooral gericht is op Amsterdammers en dat die alle talen spreken, maar vooral en zeker Engels. Oké, fair point..

Niet voor de locals

Één ding weet ik zeker: ik ken vrijwel geen Amsterdammer of inwoner van Nederland die op een kinderfiets fietst na zijn kindertijd. It just doesn’t happen. Ook weet ik bijna zeker dat geen fietsenmaker een kinderfietsje verkoopt dat zo slecht fietst. Het verzet is waardeloos: je trapt je het schompes en de fiets is veel te klein. Minuscuul zelfs. De fiets zelf is nog best oké qua stevigheid en zou ik in vergelijkbare vorm maar dan een maat groter en met een beter verzet, accepteren.

Maar helaas, de fiets is wat ie is en dit is een belediging. Een belediging tegenover mensen die fietsen en dat apparaat gebruiken om van A naar B te komen. Wie heeft deze fietsen getest? Niemand? Heeft er niemand op gefietst alvorens ze goed te keuren? Ik word verdorie ingehaald door oudere dames op fietsen zonder elektromotor. Iedereen haalt me in en ik ben he-le-maal kapot na een kwartier fietsen. Ik fiets praktisch elke dag minstens 12km en zou toch tenminste wat fiets-conditie verwachten. Hiermee jaag je mensen niet van de scooter naar een fiets of van een auto naar een fiets, je zult ze hooguit een bevestiging geven dat fietsen echt zwaar #$&*&* is.

Ooit fietste ik in Cambodja op een slecht fietsje. Vergelijkbaar ding als een Flickbike en vermoedelijk een oBike (de fietsdeelfiets in Rotterdam, zag er in Amsterdam een paar voor een hotel staan, vrijwel zelfde uiterlijk en afgaande op kritiek op internet lijkt hetzelfde euvel te bestaan: je kunt nog beter rollatorraces gaan doen). Ik leende de fiets van een vriend in Siem Reap. Iedereen rijdt daar op scooters, werkelijk voor elke scheet. Ik kon alleen maar denken: het is ook niet zo gek als je zulke belabberde fietsen gebruikt dat iedereen op een scooter gaat zitten, zelfs voor die kippeneindjes. Ik begreep het eigenlijk niet. We fietsen al zo lang en weten echt wel hoe we voor weinig geld een goed fietsende fiets moeten maken, toch? Niemand maakt mij wijs dat we dat niet kunnen. Ook Chinezen kunnen dat lijkt me.

Terug naar nu. Naar vandaag, de dag dat het ideaal leek om een Flickbike te gebruiken. Mooi weer en wat noodzaak tot heen en weer te fietsen. Zelf ben ik 1,93 en in de hoogste stand komen komen mijn knieën elke keer trappen in een 90-gradenstand terug. Dat kan voor 5 minuten, maar de gemiddelde fietsafstand tussen centrum en bijna-alles-binnen-de-ring (het werkgebied) ligt op een normale fiets tussen de 10 en 30 minuten. Een no go dus voor het gros van de mensen die gewend is te fietsen in de stad. Na op en neer gefietst te zijn overweeg ik zelfs een taxi te pakken terug. Uiteindelijk ben ik waarschijnlijk gewoon een kniepert en ga ik terug proberen te ov-en, maar het laat zien hoe slecht het met de fietsjes gesteld is.

Oneerlijke concurrentie?

Waarom verdedigde ik het concept? De negatieve verhalen in verschillend kranten heb ik ook gelezen. ‘Verkapte verhuur aan toeristen’, ‘Dit gaat net als Airbnb de spuigaten uitlopen’, ‘Oneerlijke concurrentie’, ‘Door de belastingbetaler betaalde fietsrekken worden gebruikt voor fietsen waarmee geld verdiend wordt’, enzovoort. Maar met die instelling krijgen we een deel van de mensen nooit van de scooter af of uit de auto.

Stel, je wil je hele vervoersnetwerk veranderen, je wil van eigen auto’s af en het mogelijk maken overal te kunnen reizen zonder eigen bezit, dan moet je aan verhuurplannen die goed functioneren. We noemen het ook wel ‘deeleconomie’, maar dat is natuurlijk je reinste onzin. Het is gewoon een systeem om simpel en snel een fiets te huren. Zelf denk ik dan aan het gebruik van een huurauto die net te ver weg staat om even te lopen: je pakt een huurfiets en jumpt 1000 meter verder in een huurauto. Of je bent met de trein en je hoeft niet terug naar het station – dan kun je niet met goed fatsoen de veel betere OV-fiets nemen, want die moet weer terug.

Vooralsnog heb ik geen Amsterdammers op de fietsjes gezien. Wel Aziatische toeristen en dat is precies wat de fietsjes zijn: kleine fietsjes gericht op een heel andere markt. Daarin hebben de klagende ondernemers in het artikel van Trouw wel een punt.

Het ontstaan van een nieuw soort ‘geldmachines’: de ICO

Het ontstaan van een nieuw soort ‘geldmachines’: de ICO

Met cryptovaluta’s ontstond veel nieuwe bedrijvigheid op internet. Via ingenieuze netwerken kunnen gebruikers geld maken door te ‘minen’ of door te handelen of er gewoon mee te sparen. Bitcoin was de eerste. Na vele andere cryptovaluta’s of alt coins kwam enkele jaren later een soort Bitcoin 2.0 voorbij, namelijk Ethereum. Die laatste is een platform met een blockchain, de achterliggende techniek van onder andere Bitcoin, waar meer op kan dan op de tot dan toe ontwikkelde blockchains.

De ‘spelletjes’ die op de Ethereum-blockchain gespeeld kunnen worden zijn ingewikkelder, tot complete, zij het simpele, computerprogramma’s. Sinds enkele maanden is er daarom een nieuw spel: het uitbrengen in eigen beheer van een eigen munt of token door nieuwe bedrijfjes waarmee ze investeringsgeld binnen willen halen. Dit kunnen ze doen door een eigen blockchain te bouwen, maar het kan ook heel makkelijk bovenop de Ethereum-blockchain. Dat laatste is sinds enige tijd heel populair en maakt sommigen in één klap wel erg vermogend (al was investeren in Ether en een jaartje wachten misschien nog wel slimmer). Dit systeem heet een initial coin offering of ICO, ergens vergelijkbaar met een IPO, ofwel initial public offering of beursintroductie in het Nederlands.

Een ICO is in eerste instantie niets anders dan een manier om geld op te halen met een cryptotoken die in de nabije toekomst uitgegeven zal worden. Aan het bedrijf of de groep die de nieuwe token of munt introduceert, wordt een hoeveelheid aan meer gebruikelijke crypto’s met relatief stabiele tegenwaarde in fiat geld gedoneerd. De gulle gever krijgt hier geen aandelen voor maar slechts tokens die een bepaalde waarde vertegenwoordigen. De gever krijgt die tokens door te investeren via Bitcoin, Ether of welke andere munt de ICO-aanbieder ook maar wil accepteren.

De eerste keer dat ik de term ICO hoorde, is vermoedelijk iets voor de ICO van het Wings-platform geweest, in november 2016. Wings is een platform om te voorspellen hoeveel een ICO vermoedelijk op zal brengen, ook wel prediction market. Hierdoor kunnen de ‘voorspellers’ weer geld verdienen doordat een deel van de opbrengst van de ICO wordt uitgekeerd aan, jawel de beste voorspellers. De gebruikers van het platform worden geacht informatie in te winnen over de projecten waar ze een hoeveelheid Wings-tokens aanhangen en de gedachte is dat de mediaan van het geheel een goede voorspeller is van wat de betreffende ICO op zal brengen.

Op dit moment betekent dat: alles wat maar mogelijk is. De meeste ICO’s hebben een verborgen of bekend maximum met betrekking tot de maximale hoeveelheid te investeren geld of cryptovaluta, zoals Bitcoin, Ether of dollar en op dit moment wordt dat bij goed onderbouwde munten vaak gehaald.

Wat is nou het lastige van deze materie? Waarom moeten investeerders hiervan op de hoogte zijn? Om de doodsimpele reden dat het potentieel interessant kan zijn, maar ook om de valkuilen in te zien. Dat laatste is misschien wel van een groter belang voor de mensen met briljante ideeën die op een dergelijke manier hun op een blockchain gebaseerde techniek aan de man willen brengen.

Het is lastig een hoofdreden aan te wijzen waarom er zo’n enorme interesse in ICO’s is op dit moment. Een eerste grote ICO, maar toen wist ik nog niet van dat woord, werd medio 2016 gehouden met het The DAO-platform. Kort gezegd moest dat een investeringsplatform worden waarbij investeerders zelf konden aanwijzen waar geld in de vorm van die specifieke munt naartoe moest. Helaas zat er een fout in het ‘smart contract’ of computerprogramma wat op de Ethereum-blockchain draaide, waardoor er heel veel geld gestolen kon worden van de investeerders. Voor een uitleg van wat daar gebeurde, verwijs ik naar een achtergrondartikel op Tweakers. Op dat moment was Ether iets van 12 euro per stuk waard om even bijna de 20 euro aan te tikken. Daarna kelderde dat weer een eind naar beneden om in januari van 2017 ergens de 7,50 euro aan te tikken.

Om de bekende onduidelijke redenen van de crypto-wereld (pun intended) steeg de tegenwaarde van Ether ten opzichte van de Euro zeer sterk in 2017. In mei werd ruim boven de 300 euro per munt afgetikt. Ook Bitcoin maakte in dezelfde tijd een enorme stijging door en vele andere alt-coins deden datzelfde. Prachtig natuurlijk: je investeerde in een ICO met je Ether, de nieuwe munt ‘Pietjes Prachtige Munt’ wordt voor een laag bedrag verkocht en enkele weken later is die ineens zes keer over de kop en verkopen maar.

Volledig ongereguleerd kunnen allerlei vroeg-rijke bitcoinmiljonairs (en ethermiljonairs, etc.) hun crypto’s ergens anders kwijt zonder hun nieuwe rijkdom aan wat voor belastingdienst dan ook op te hoeven geven door het in te wisselen in fiat pecunia (overigens verwacht de Nederlandse belastingdienst dat bezitters van cryptovaluta het equivalent van de munt op 1 januari opgeven als bezit). Of mensen die een gokje willen wagen kunnen met hun spaarcentjes aan de slag zonder dat ze eerst bij een investeringsbank langs hoeven met hun paspoort of wat dan ook. Heerlijk ongereguleerd, al verwacht iedereen ‘in het wereldje’ dat er op den duur ergens regulering vandaan zal komen. Op dit moment zorgt het vooral voor heel veel copy-cats en een enkele, wel nuttige innovatie.

Toch zit er een mooie kant aan deze nieuwe goudkoorts in dit onbekende ‘wilde westen’. Stel je hebt een briljant plan voor een bepaalde invulling van blockchain-technologie en daar heb je na een tijd ploeteren echt een goed uitgewerkt idee voor. Helemaal uitgedacht met een tijdspad en vermoedelijk een white paper waarmee je je legitimiteit wil aantonen.

Nu moet het echt gebeuren: je hebt programmeurs nodig, liefst ook nog wat mensen die iets anders kunnen dan in code denken, er is geld voor apparatuur nodig, etc. Wil je een paar jaar vooruit plannen zonder dat je daadwerkelijk omzet verwacht te draaien, dan is daar wel wat kapitaal voor nodig. Hoe doe je dat? Even naar een zogenaamde venture capitalist stappen in een investeringsronde is niet heel makkelijk. Zeker niet als je hele ecosysteem ook nog open source by design is. Zie maar geld los te peuteren. Dat is dus nu wél te doen bínnen het eigen ecosysteem van cryptovaluta’s.

En dan is er nog een voordeel: de mensen die geld investeren, krijgen geen andelen in je bedrijf. De investeerder krijgt slechts digitale tokens of crypto-geld. Interessant genoeg zijn die tokens vaak ook weer te gebruiken om diensten van de dienst te gebruiken (veel diensten binnen die zogenaamde gedecentraliseerde applicaties of dApps functioneren door de specifieke tokens). Als de tokens eenmaal in bezit zijn, kunnen ze ook weer verhandeld worden buiten het ecosysteem van die dApps, juist omdat ze weer geen aandeel representeren in zo’n bedrijf.

Laat dit allemaal rustig bezinken. Het is pas het allereerste begin, al zal het grootste deel van de basis nu al uitgedacht worden. Zelf hoop ik dat ook andersoortige projecten, zoals meer goededoelenprojecten of projecten die juist zoveel baat hebben bij de vrijheid die het huidige blockchainecosysteem biedt(afhankelijk van welke je gebruikt of zelf maakt natuurlijk), niet volledig zullen onder sneeuwen in deze ‘Gold Rush’.

Gedenkwaardige ICO’s (alle bedragen zijn equivalenten van dat moment in dollars, bijvoorbeeld: 1 bitcoin was toen 250 dollar waard; 300.000 bitcoin opgehaald x 250 = 75 miljoen dollar):

Ethereum (1 bitcoin was goed voor 2000 ether, juli 2014): > 15 miljoen dollar

The DAO (afhankelijk moment van kopen, mei 2016: 1 ether was goed voor 100 DAO: ~ 130 miljoen dollar)

Bancor (draait op Ethereum, 12 juni 2017, door vastlopen netwerk liep de ICO 3 uur in plaats van te stoppen na de maximale cap en werd 153 miljoen dollar opgehaald met 396.720 ether)

Zie voor een overzicht van de meeste ICO’s dit Screenshot van Smith & Crown op 13 juli 2017, een adviesbureau rond crypto’s.

disclaimer: dit is geen beleggingsadvies. Zelf heb ik geen grote belangen in welke cryptovaluta dan ook, al is het onmogelijk de systemen te doorgronden zonder er zelf mee te spelen. Ook ben ik op moment van schrijven niet gelieerd aan een bedrijf dat zich actief bezighoudt met blockchain-gebaseerde technologie.

Waarom een megafietsendeelbedrijf het einde van oude fysieke bedrijven betekent

Waarom een megafietsendeelbedrijf het einde van oude fysieke bedrijven betekent

De Japanse multinational SoftBank wil naar verluid investeren in een Chinees fietsdeelnetwerk Ofo. Die laatste kreeg al eerder honderden miljoenen binnen via Alibaba en nog wat Chinese firma’s en Ofo is niet de enige die met fietsendelen bezig is.

Ondertussen in Nederland, of moet ik zeggen Europa, heeft elk stadje z’n eigen schatje. Vélib in Parijs, Bicing in Barcelona en ga zo maar door. Tegenwoordig heeft elke zichzelf respecterende stad een fietsdeelsysteem. Amsterdam heeft sinds kort Flickbike, Rotterdam Gobike en natuurlijk de aloude OV Fiets, vrij alomtegenwoordig op en rond treinstations.

De grote verschillen zitten hem vooral in hoe ziet de fiets eruit: als een of andere halve brommer of gewoon een fiets? En het verschil in stallen: moet het apparaat in een speciaal fietsenrek of kun je hem gewoon neerzetten zoals je met een fiets gewend bent (in Nederland dan).

Mijn persoonlijke voorkeur gaat uiteraard uit naar dat laatste.

Dat is toch prachtig, zul je zeggen, overal fietsen! Weg met die stinkapparaten (brommer/auto/scooter). Regent het hard? Trammetje stad in. Terug zonder regen: fietsje naar huis. Deelauto te ver weg? Deelfiets er naartoe en hop, de elektrische bolide in. Zoiets.

Nu is Amsterdam natuurlijk een microstad. nog geen miljoen mensen woont er permanent. Maar vergelijk het met de plannen van Ofo: het bedrijf wil aan het eind van 2017 (het is nu juli 2017) 20 miljoen fietsen hebben in 200 steden in 20 landen over de hele wereld. Volgens Crunchbase heeft het daarvoor al 1,3 miljard dollar opgehaald.

De alomtegenwoordigheid en de monopolie-maximalisatie van bedrijven op internet dringt nu steeds sterker door in de fysieke wereld. Was het kort geleden nog zo dat een monopolist met een ‘winner takes all’ mentaliteit voornamelijk in het digitale domein bestond, komt dat nu met zo’n wereldwijde fietsendeler wel heel snel dichtbij. Niet dat honderdduizenden bekende merken allemaal vallen onder slechts een paar grote, soms zelfs zeer onbekende, namen, nu is het wél dat ene bedrijf dat alles veroverend is. Vergelijk het met on-offline diensten als Uber en Airbnb. Er is slechts ruimte voor vergelijkbare diensten binnen een niche, zoals YouTube vs. Vimeo.

Met een Ofo en z’n enorme hoeveelheid cash to burn zit er niet veel anders op voor andere fietsendelers dan opgeslokt te worden of een interessante niche binnen het fietsdelen te worden. Hopelijk voor de paar Europese, lokale initiatieven valt dat niet al te negatief uit.

Leest dat, Ode aan E-nummers

Leest dat, Ode aan E-nummers

En om precies te zijn pagina 87 in de papieren versie: “De belangrijkste boodschap die ik voor al die mensen heb, is dit: we concentreren ons op de verkeerde dingen. (…) We gaan niet dood aan kaas of pasta (…) Wij gaan niet dood aan bewerkt voedsel (…) Wij gaan niet dood aan E-nummers (…) genetisch gemodificeerde gewassen, emulgatoren (…) We gaan dood aan een groep volledig simpele biologische ingrediënten zonder E-nummers. Dat zijn suiker, vet, alcohol en tabak. (…) Je hoeft alleen maar in een gemiddeld ziekenhuis te kijken, waar afdelingen vol liggen met patiënten die te veel van die stoffen hebben genuttigd. De stoffen die onze gezondheid bedreigen, hebben geen E-nummer.”

Waarom deed ik dan zo gepikeerd in mijn vorige blog over het boek? Ten eerste omdat ik het nog niet gelezen had. Waarom niet terwijl ik het al als e-book op mijn e-reader had staan? Omdat ik reageerde op alles wat ik tot dan toe las in de krant, hoorde op de radio of zag op tv: een columnist die niet begrijpt dat er mensen zijn die niet begrijpen waarom mensen gedegen wetenschappelijk onderzoek afwijzen én dat er mensen zijn die wel van koken houden. Dat eerste begrijp ik ook niet, maar het maakt zowel Rosanne Hertzberger als mij minder sympathiek.

Het tweede onderdeel wat ze met grote glimlach structureel wereldkundig maakte, ook in haar boek, is dat ze een hekel heeft aan koken. Dat is prima, ik heb een hekel aan echt sporten. En ook aan dingen waar je een hekel aan hóórt te hebben, zoals te veel scooters, racisten en ga zo maar even door. Alleen dat ik aan sport (ik heb het dus niet over bewegen) een hekel heb, stuit structureel op onbegrip. “Het is fantastisch!” “Je moet er even doorheen!” “Als je tot het gaatje gegaan bent, dan…!” En verzin nog maar wat meer superlatieven van fanatieke sporters of mensen die door sport zichzelf ineens honderdduizendmiljoenmiljardmaal beter zijn gaan voelen. Lijkt verdacht veel op biologische-ik-eet-geen-suiker-maar-honing-echt-waar-en-nu-voel-ik-me-fantastisch!-mensen.

Vergelijkbaar met mijn sport-aversie houdt Hertzberger niet van koken. Wel van eten, want zonder eten gaat het niet. Lekker eten boeit haar niet zoveel, maar gegeten moet er worden. Dus dat doet ze dan ook. Het liefst zo gezond mogelijk. En zo makkelijk mogelijk. Maar ze trapt wel op mijn kookliefhebteen.

Nu weet ik dat zomaar analogieën ergens ingooien linke soep is. Misschien is sporten én veel normaal bewegen alsnog wel gezonder dan alleen maar veel bewegen. Waar het op neer komt, is dat Ode aan E-nummers een goed en interessant boek is met een grote berg aan interessante informatie, alleen is het jammer dat de stijl vaak lijkt op een columnachtige rant en eindigt met de terechte zorgen over een schonere planeet, een betere leefomgeving en al dat soort zaken. Misschien had ze dat beter om kunnen draaien. Hierdoor ben ik bang dat de E-nummer-haters nog dieper in hun loopgraven gaan zitten en de eigenlijke boodschap niet lezen.

Hopelijk prikken sommigen daar doorheen en leert het mensen kritischer kijken naar de grote berg beweringen op internet.

Eerder gepubliceerd op Medium

Ode aan de E-nummers is een preek voor eigen parochie

Ode aan de E-nummers is een preek voor eigen parochie

Met stijgende verbazing volg ik de discussie rond het boek ‘Ode aan de e-nummers’ van Rosanne Hertzberger. Of discussie? Die is er vrijwel niet. Er staan verschillende ‘leren’ tegenover elkaar zonder ook maar iets van elkaar te willen horen. Of het boek er beter door verkocht wordt, durf ik zelfs te betwijfelen: zij die de kennis hebben over de huidige stand van de voedingswetenschap hoeven het niet te lezen, want die weten het al. Voor de andere kant is Hertzbergers optreden in de Volkskrant al voldoende voor een no go omdat ze die groep al voldoende stof heeft gegeven het boek níet te kopen, ook als dat boek een genuanceerd beeld uitdraagt.

Zowel Hertzberger als de zelfbenoemde voedselgoeroes zoeken in media-uitingen niet de nuance op maar slechts de confrontatie. Dat laatste doet de schrijfster van het boek en microbioloog ook graag in haar columns in NRC, haar stijl. Dat het bijna niet zorgt voor de nodige discussie, maar verschillende groepen juist de loopgraven laat opzoeken, is spijtig.

Het interview in de Volkskrant gaat grotendeels niet over het grote verhaal achter het boek, namelijk dat e-nummers niets anders zijn dan goed onderzochte stoffen die met de huidige, vaak zeer langjarige wetenschappelijke kennis als ‘veilig voor de volksgezondheid’ bestempeld zijn. Het gaat om Hertzbergers hekel aan koken en dat ze liever nog even een wetenschappelijke studie openslaat dan dat ze tijd moet besteden aan het bereiden van een maaltijd. Met haar kennis weet ze dat haar familie zo de juiste voedingsstoffen binnenkrijgt en dat ze zich daar verder geen zorgen over hoeft te maken. Tevens is het minder milieubelastend om maaltijden in zeer grote hoeveelheden te bereiden, waardoor haar kant-en-klaarmaaltijd minder milieubelastend is en tevens duurzamer.

Dat er mensen zijn die wel van koken houden en die zich zorgen maken om elk stuk in plastic verpakt voedsel, daar gaat het interview aan voorbij. Voor de voedselveiligheid is dat laatste vermoedelijk beter, maar niet als iedereen z’n plastic laat slingeren. Hertzberger zit zo klassiek op haar religieuze wetenschapsberg, namelijk die van: wij weten wat goed voor je is, hou je mond maar. Echt. Terwijl de briefschrijvers in de Volkskrant op die andere geloofsberg zitten, namelijk die van ‘natuurlijk’ is goed, zelf maken is beter (voor mensen die ervan houden) en plastic is slecht als het in het milieu terechtkomt (bekend feit). De tussenliggende oceaan is volstrekt onoverbrugbaar.

Als je beide groepen zou vragen of ze voor of tegen een duurzame wereld zijn, zullen beide groepen antwoorden dat ze uiteraard voor een duurzame wereld zijn. De vraag of ze willen dat mensen ongezond voer tot zich nemen, zullen beiden ook negatief beantwoorden. Ligt daar een klein eilandje van verdraagzaamheid?

De mensen die Hertzberger wil bereiken, de superfoodlovers, healthfreaks en het leger aan zelfbenoemde insta-voedselgoeroes, die zullen niet anders doen dan hun door gezonde vetten aangemaakte gal spuwen en het boek ongelezen links laten liggen. De kenners van de achterliggende wetenschap idem. Misschien is het iets voor mensen die de klok hebben horen luiden, maar de klepel nog zoeken.

Ik las een week alleen de papieren krant en dat beviel heel goed, maar…

Ik las een week alleen de papieren krant en dat beviel heel goed, maar…

Een week geleden kondigde de NRC aan tabak te hebben van Blendle. ‘We doen het zelf wel!’ kondigde Vandermeersch luid aan in het betreffende artikel. Dat kwam hem op veel onbegrip te staan, maar Vandermeersch’ redenen om uit de online kiosk te stappen vonden niet louter negatieve respons. Ook in mijn directe omgeving van on- en semi-online journalisten, bleek al langer wrok tegen Blendle te bestaan, zeker sinds het medium hun bijna-all-you-can-eat-model introduceerde.

Een abonnement op één titel. Hoe is dat ook al weer, vroeg ik me af. Daarom besloot ik een week geen artikelen via Blendle te lezen en kocht dagelijks de papieren middageditie van NRC. Afgezien van de vraag of kranten wel heel representatief zijn rond de verkiezingen, leek het een aardig idee. Omdat ik tot een half jaar terug een papieren Parool ontving, kon ik al wel enkele vooronderstellingen doen zonder ook maar één papieren krant ingekeken te hebben. Het verschil met die tijd en nu: toen gebruikte ik Blendle naast de krant en las die laatste tussen koffie en avondeten aan de keukentafel. En dan vooral het nieuws dat je niet direct op internet zou opzoeken. De grote vraag is dus wat een krant in zijn eigen vorm zo uniek maakt dat je er zelf apart een abonnement op neemt.

Vooronderstellingen:

  1. Papieren krant leest rustiger omdat je minder afleiding hebt
  2. Je leest stukken die je normaal niet leest, ook niet via Blendle of een andere online-dienst omdat je alles kunt overzien of gewoon je oog erop valt
  3. Ik ga Blendle missen, want ik kan ineens minder artikelen lezen

De eerste twee zijn waar. En ook dat een krant handig is als je je schoenen wil poetsen of iets anders waar afdankbaar papier voor nodig is. Nummer drie klopt alleen niet, met de kanttekening dat ik nu nog een papieren Groene Amsterdammer-, VPRO Gids- en New Scientist NL-abonnement heb, al sneuvelen die misschien ‘omdat ik ze toch wel via Blendle lees’. Ze liggen meestal in een hoekje stof te vangen. Omdat ik die papieren opties nog heb, mis ik Blendle niet. Althans, niet direct. *

Het experimiment

Terug naar de krant. Dag 1. Mijn eerste gedachte na het relaxed lezen van de krant was dat iedereen weer terug naar papier zou moeten. Mijn telefoon lag stil elders en ik heb me een kleine drie kwartier samen met een kop koffie nergens aan gestoord. Het voelde alsof ik terug was in de middelbareschooltijd om aan het eind van de middag als 17-jarige rustig de krant te lezen zonder iets te moeten. Maar 17 ben ik al een tijdje niet meer en het verheerlijken van nostalgie is niemand vreemd.

Dag 3. Het dieet van alleen grote verhalen over ‘grote zaken’ die je gelezen moet hebben is weg. De opbouw van dat papieren stuk antiek is zo gek nog niet. Geen zin in ‘voorpaginanieuws’: sla gewoon de eerste zoveel pagina’s over in één vloeiende beweging. Of begin achteraan. Of trek er een katern uit

Omdat Blendle voor veel mensen steeds meer samensteller wordt van wat je leest, kom je niet meer aan de kleinere, schijnbaar minder belangrijke verhalen en artikelen toe. Dat kan van alles zijn: een filmrecensie of vooruitblik op een documentaire op lineaire televisie zal ik niet aanklikken in Blendle en ook niet opzoeken. Dit soort artikelen wordt ook niet vooraf voor mij ‘gecureerd’ (mag dat woord bij dezen een snelle dood sterven?) door Blendles algoritmes en menselijke samenstellers. Dat ene verhaal wat buiten je eigen interessegebied zou liggen, maakt dat helaas niet goed.

Nog een apart ding: rouwadvertenties. Mensen die iemand verloren hebben, wat ik helaas onlangs zelf meemaakte, plaatsen vaak advertenties in dagbladen waarvan ze vermoeden dat mensen uit hun — vroegere — omgeving die lezen. Je oog glijdt er bewust of onbewust toch even overheen. Als je een bekende naam ziet, kijk je of je die kent. Dat is natuurlijk deels vervangen door socialmediakeizerrijk Facebook en andere, in de marge aanwezige diensten, maar die zijn in dat geval ook niet alwetend als je niet per ongeluk ‘vriend’ bent met (al is een toekomst waarin kunstmatige intelligentie alle punten van je leven verbindt, zonder dat je daar zelf nog iets aan hoeft te doen, verre van ondenkbaar).

Verkiezingen

Dag 7, 15 maart 2017. Is er een slechtere dag om een krant te beoordelen? Ja, de dag dat er geen krant meer is. Uiteraard handelde een groot deel van de teksten over de verkiezingen. Maar toch houdt de krant een cadans. Een ritme, een afwisseling als een ouderwets popmuziekalbum met een opbouw van verschillende nummers. Van hit naar melodieus naar wat de artiest ook maar kon bedenken. Zo ook in de krant. Afwisseling zodat je hersens niet overvoerd worden door ingewikkelde verhalen en zich ook even kunnen herpakken.

Maar is dat allemaal genoeg om alles nog in eigen beheer te willen uitgeven zoals NRC dat wil? Eigen abonnementen, digitaal of combinaties van papier en digitaal, en een eigen ecosysteem dat niet van buiten te raadplegen is? Als daar een simpel, eenduidig antwoord op zou bestaan, zat NRC nu niet in dit ‘conflict’ met ‘kiosk’ Blendle. Precies datzelfde geldt andersom voor Blendle: als het antwoord makkelijk was, ontstond er niet zo’n hetze.

Ondanks dat het natuurlijk een ‘leuk experiment’ is, zo’n week alleen papier, is het niet houdbaar. 2,60 euro per dag per krant en in het weekend nog 60 cent meer. Niet dat het heel veel geld is, maar papier is voor een belangrijk deel echt aan zijn laatste loodjes bezig. Zelf wil ik het niet, maar dat ik een half jaar geen papieren krant had, was me even niet opgevallen. Daarbij komt dat NRC wil ‘inzetten op producties met meer soorten content‘, zoals video, geluid of bijzondere artikelen verrijkt met andere media. Dat kan nog niet op papier.

Browsen en bladeren

Het is jammer dat beeldschermen zich zo slecht lenen voor overzicht. Voor echt browsen. Of bladeren zo u wilt. Tablets, aanraakschermen, e-readers, laptops, desktops, telefoons. Allemaal net niet ideaal. Alle met hun eigen voor- en nadelen. Het maakt dat het samenstellen van een eigen geluid, een eigen ritme, lastig is. Al probeert Blendle dat wel degelijk door bijvoorbeeld de lettertypes van de publicaties over te nemen. Zo is de Maarten! met zijn rare typografie ook op Blendle lastig te lezen. Toch stelt een ander de stukken voor je samen en dan blijken lettertypes ineens wel erg karig.

We mogen overigens heel andere partijen ook niet uitvlakken, namelijk de grote spelers Facebook en Google. Net als bij Blendle geldt daar dat je heel veel clicks nodig hebt om daadwerkelijk iets te verdienen. Dat is bij een normale krant niet anders. Heel veel korte, kleine kattebelletjes zijn op zich niet het betalen waard. Een enkel gedicht levert een auteur een beetje op in de krant, maar via een medium als Facebook of Blendle vermoedelijk helemaal niets. In die zin kan het niet anders dan dat er grote uitgevers zijn die met enkele zaken veel geld binnen harken om de kleine, maar niet minder belangrijke, stukken te bekostigen.

Het kwam Blendle in eerste instantie op kritiek te staan dat het niet rechtstreeks aan freelancers uitkeert. ‘Mijn stuk is veel gelezen, nu wil ik meer geld!’ Was een veelgehoorde klacht. Via Reporters Online is het overigens mogelijk dat freelancers hun verhaal recyclen en veel bladen en kranten staan dat ook toe na een bepaalde met inachtneming van een bepaalde tijd tussen publicatie via hun en door de freelancer zelf. Blijft staan dat als je te veel voor een niche schrijft, dat je nog zo belangrijk kunt zijn, een cent hou je er nauwelijks aan over.

Anderhalf miljard klanten

Het probleem op internet en geld verdienen aldaar is dat het extreem top-down is. Je hebt niet veel mensen nodig om iets op te zetten dat heel veel kan opleveren. Voor Facebook zijn bijna geen medewerkers nodig in vergelijking tot een bedrijf dat fysieke zaken zou doen met meer dan anderhalf miljard klanten. Of zijn het producten? Tel uit je winst. Maar om nu de discussie te gaan voeren dat er te weinig werk is en dat dat helemaal niet erg is, gaat wat ver.**

Na dit intermezzo komt toch de, of in ieder geval een soort van, conclusie. Kan NRC het in zijn eentje, zonder Blendle of andere online shops? Ik denk van niet. Zoals ik al schreef in het vorige artikel hierover: het is en-en, niet of-of. Wat geldt voor NRC geldt ook voor de rest van de tijdschriftenwereld: vrijwel alles wat een digitale variant kan hebben, zal hier niet omheen kunnen. Het los van elkaar willen zien van het fysieke en digitale product, is na ruim 20 jaar internet voor het grote publiek echt mijlenver achterhaald. Wellicht wordt ‘papier’ een ‘exclusieve’ versie van de krant. Een soort van ‘business class’ en de rest wordt ‘economy’. Dat parasiteert dan hopelijk minder ernstig als goedkoop vliegen.

Streaming money

Uiteindelijk komt het allemaal neer op verdienmodellen en misschien zien we in de toekomst iets als stromend geld of streaming money met de komst van cryptovaluta zoals Bitcoin. Maar voor het zover is, eenieder die iets online wil verkopen zonder dat dit via advertentie-inkomsten gaat van één van de grote online aanbieders van allerhande inhoud, zal moeten zorgen voor heel simpele afrekenmethodes of donatieknoppen.*** NRC’s experiment kan vermoedelijk alleen slagen als het dat kan of wil aanbieden.

Uitgever Ernst-Jan Pfauth van De Correspondent schreef er een interessante nieuwsbrief op Revue over. Gek genoeg is zijn eigen — via abonnement betaalde — medium níet via Blendle te lezen. Wel is overigens elk artikel zonder commentaren te lezen voor mensen die een link krijgen van een artikel via een betalend lid. Misschien moet hij daar maar eens over aan de tand gevoeld worden (of worden al lang plannen gesmeed dit soort inhoud wel aan te bieden via een platform als Blendle).

De complexiteit van online geld verdienen is enorm, tenzij je de grootste bent en helemaal bovenaan staat. Bedenk daarbij dat we in een minuscuul taalgebied leven en sappelen is de toekomst. Dat daar ‘iets’ mee moet, staat buiten kijf. Hoe, dat is nog even de vraag. Toevallig schreef tijdschrift Quote onlangs een artikel Hot and Streaming over streaming-muziek en geld verdienen. Lastige business en het gaat om volume, zo laat label Spinnin’ Records zien van Eelko van Kooten.

Blijft er nog één interessant en heikel punt over voor Blendle of eigenlijk alle aanbieders: het is op internet een winner takes all. Monopolies winnen. Dat vinden sommigen, zoals Peter Thiel, mede-oprichter van onder andere PayPal, geen probleem. In Nederland bestonden meerdere online tijdschriften- en krantenverkooppunten, zoals Elinea en MyJour, maar alleen Blendle lijkt het aardig te doen. Elinea ging failliet en is augustus vorig jaar overgenomen. De site bestaat nog, maar de laatste artikelen zijn van eind augustus 2016. MyJour is failliet en bestaat niet meer. Vinden we dat een probleem?

Al met al: zonder experimenten geen kennis. Ik ben benieuwd naar de korte- en middellangetermijnuitkomsten van NRC’s experiment.

*Ik mis de deel-optie. Ook mét lezen op papier deel ik vaak later een interessant artikel. Soms heb ik de neiging van papier af te willen delen, maar ja.. dat kan nog niet.

**Waarom er zo veel middenmanagement rondloopt kan anders niet verklaard worden

***Denk bijvoorbeeld aan Flattr of de browser ‘Brave‘ die via Bitcoins microbetalingen doet aan sites waar de gebruiker vaak komt

In deel één beschrijf ik onder andere mijn twijfels bij Blendle’s All You Can Read-model.

NRC stopt met Blendle daarom ga ik een week alleen díe krant lezen

NRC stopt met Blendle daarom ga ik een week alleen díe krant lezen

Het NRC Handelsblad stopt ermee. Geen zin meer. Blendle. Uitzuigers zijn het. Althans, volgens Peter Vandermeersch’ zijn blog. En misschien heeft hij wel een punt.

Van veel artiesten is bekend dat ze helemaal niets hebben aan Spotify als het om inkomsten gaat. Blendle biedt nu iets soortgelijks met Premium, al gaat het om maximaal 20 artikelen per dag, iets dat voor de gemiddelde lezer nauwelijks dagelijks haalbaar is. Zeker niet als het voornamelijk lange artikelen betreft.

Dat het daarom steeds minder logisch wordt voor lezers om door kranten en andere titels te bladeren op Blendle omdat je eerst die 20 voor jou samengestelde artikelen voor je neus krijgt, staat als een paal boven water. Je moet veel meer je best doen om bij andere titels te komen. In die zin is de kiosk-functie daardoor sterk verminderd en gaat Blendle zelf op de stoel van samensteller zitten. Vandermeersch noemt het zelfs uitgever. En passant maakt hij ook nog een berekening wat een NRC-abonnement op zou brengen. Hiervoor gebruikt hij de oude papieren versie en niet de alleen-digitaal-versie. Scheelt nogal.

Wat is nou het lastige met het hele Blendle-model en alle modellen in de digitale wereld: alleen de top verdient geld. In dit geval verdienen alleen de artikelen waar onevenredig veel op geklikt wordt voor enige inkomsten. De koppelverkoop onder één artikel met de wervende tekst dat de hele publicatie met slechts nog drie extra artikelen of iets dergelijks helemaal te lezen was, lijkt ook weg (al is de functie om een digitaal abonnement te nemen via Blendle bij verschillende uitgevers/titels wel duidelijker geworden, zo staat onder artikelen bij VK een abonnement voor 9,99 per maand en bij de Groene van 14,99 per maand, of dat in- of exclusief premium is, kan ik niet zo snel vinden).

NRC wil al langer van Blendle af. Geen Blendle-betaalknop onderaan artikelen zoals veel titels van bijvoorbeeld Persgroep hebben, maar gewoon na vijf artikelen heel bot:

“De limiet van 5 gratis artikelen per maand is bereikt.
Neem een abonnement om verder te lezen.”

Weten ze nu of mensen met die button van Blendle wel betaald hadden voor eventueel populaire artikelen die nu op slinkse wijze deze muur omzeilen? Nee volgens mij. Op dit moment wil ik geen abonnement. Want abonnement betekent nu bij hun eigen shop: één, twee óf drie jaar vastzitten aan NRC. Plus een shitload aan reclame- en tracker-cookies.

Is er dan bij NRC een briljante oplossing bedacht voor het direct, snel en zonder moeten invullen van je hele doopceel lezen van een artikel? Dat er een optie is om gewoon één artikel met een microbetaling te lezen? Nu niet. Per april? Zeer waarschijnlijk niet.

Hoe komt dat? Misschien staat dat luid en duidelijk in Vandermeersch’ artikel:

“Het werven en behouden van abonnees is een absolute kerncompetentie die we volledig in eigen handen willen hebben”, aldus CEO van NRC Rien van Beemen. “Alleen zo kunnen we constant verbeteren, leren van fouten en op tijd de juiste aanpassingen doen.”

Die ‘kerncompetentie’ (ik ken een bepaalde columnist die daar waarschijnlijk wel een verhaal over kan schrijven…) moet dan wel zo ver uitgebreid worden dat je mijlenver voorloopt op de concurrentie. Dus nu verwacht ik dat NRC de allerbeste web-only-‘ervaring’ gaat bieden die er is. De beste betaalmodule ever. Vanaf april dan. Op mobiel kan ik dan probleemloos via mijn bank-app betalen. Als ik wil kan ik via PayPal, OkPay, Sepa, Incasso, Bitcoin, iDeal, creditcard en desnoods de crypto-Gulden betalen. Gewoon omdat het technisch kan. Geen strobreed ligt meer in de weg. Toch?

Iedereen gun ik z’n online verdienmodel. Het is lastig en ook ik heb daar geen goed antwoord op. Zoals aan het begin al gezegd: er zit zeker wat in het verhaal van Vandermeersch, maar het klinkt zo ongelooflijk naïef. Zeker als je een hele generatie al niet meer hoort praten over een krant, tijdschrift of wat voor aparte of losse publicatie dan ook. Ze praten over: ‘las ik op Blendle’. Of, onbetaald, ‘las ik op Facebook’. Of elders. Het is en-en. Niet of-of. Dat is het al heel lang niet meer.

Maar goed. Nu eerst een week louter NRC Handelsblad. Vermoedelijk via Blendle aangezien ik geen uur/dag/week/maand-abonnement kan nemen via de NRC-site die zo graag abonnementhouders wil trekken. Misschien ga ik wel dagelijks een papieren versie kopen. Dat zou het eerlijkst zijn. Of via krant.nl. Dan kost het nu namelijk maar 4 euro voor een maand. Gaat goed met die papieren inkomsten.

Limiet van NRC Handelsblad of Betaalmuur.

Eerder verschenen op Medium. Ondertussen is ook deel 2 verschenen.