Lieve lachgaslurkers

Lieve lachgaslurkers

Met regelmaat ren ik een rondje langs het Nieuwe Meer, mooi hoor. Soms over het asfalt, soms door het bos. En daar lag het weer, aan het eind van het onverharde pad waar een rood-wit paaltje de toegang tot groot verkeer verhindert en al jaren een geel bord staat “Tijdelijk afgesloten vanwege schade aan de natuur en ter voorkoming van verdere schade”. Daar, daar lag weer wat overbleef van de nacht ervoor. Ballonnetjes, leeg frisdrankflesje, leeg Capri Sonne-pakje.

Lachgas ballonetjes park natuur
Lachgasballonnetjes.

Ballonnetjes in vrolijke kleurtjes, prachtig voor feestjes, binnenkort vermoedelijk verboden. Ze lossen namelijk niet op, vergaan niet. Blijven eeuwig rondslingeren. Tenzij iemand ze opruimt. Gelukkig gebeurt dat vaak, maar niemand weet hoeveel van die plastic rommel, soms samen met lachgaspatronen, uiteindelijk rond blijft slingeren.

En dat terwijl de dichtstbijzijnde prullenbak echt niet heel ver weg is.

Nog bonter is het parkeerplaatsje bij Tennispark Jaagpad: de ballonnetjes naast de prullenbak. Nul erin. Nada. Je krijgt een roesje van zo’n ballon, maar dat mikken zo lastig wordt…

De bottom line is gewoon: gooi je zooi weg. Zo lastig is het niet. Het kan niemand iets schelen als je lekker aan je ballon wil hangen. Het drugsinfoteam geeft je keurig informatie hoe en wat.

Gelukkig rijdt er met grote regelmaat een wagen van Pantar rond, die halen je troep weg, als het niet al weggeblazen is door de wind, ergens in het water ligt of op een plek ligt waar ze niet komen. Gek worden ze ervan, zei een van de mannen van zo’n vuilophaalwagen met een GTA V-parodie-t-shirt aan.

Treinfietsen

Treinfietsen

Geen fiets in de trein. Eerst besef je niet dat het normaal is, zoiets waarvan je pas merkt dat het een gemis is als het niet meer mag. De fiets in de trein.

Misschien is juist dit het moment te bedenken wat aan het fiets-in-de-trein-systeem beter kan. Het moment van bezinning nu iedereen het openbaar vervoer links laat liggen.

Een voorstel: kom met een fietswagon. Een fietsenstalling op wielen. Na de spits enkele keren per dag via de lange intercitytrajecten tijdens de zomermaanden, zo tussen begin maart en half november.

Het geeft autolozen de mogelijkheid makkelijker verder met de fiets in eigen land te gaan. Of naar Duitsland waar fietswagons in bepaalde gebieden al lang standaard zijn. Vroeger zag je ze ook in de intercity naar Berlijn, geen HSL trouwens, gewoon die boemel. Of België, daar zijn ze ook.

Geef autobezitters de mogelijkheid hun rubber te verwisselen voor staal, de ijzeren weg van het ruimtetechnisch efficiëntere OV.

Critici zullen zeggen dat er een prachtig OV-fietsennetwerk is, dat je je eigen fiets niet nodig hebt. Dat is ook zo! De OV-fiets is ideaal in veel gevallen, voor dat korte, kleine stukje in de stad van een kilometer of wat. Ook is ie nog eens bijna de helft goedkoper dan een fietskaartje voor de fiets-in-de-trein. Maar voor de fietsvakantieganger, fietstoerist, vermoeide toerfietser, door slecht weer overvallen fietser-net-te-ver-van-huis en wat nog meer, is de OV-fiets niet toereikend.

Of gewoon voor de niet-tegenwindfietser, de fietser die het “wind-mee systeem” (sic) gebruikt, beschreven door Bob den Uyl in zijn handleiding voor de rusteloze zwerver ‘Wat fietst daar?

Wat fietst daar? Bob den Uyl, eerste druk, 1970

Met tegenwind fietsen doet volgens Den Uyl zoveel af aan het genot van de toerfietser dat het beter is zo lang mogelijk met de wind mee te fietsen, om dan de trein terug te nemen. De ‘handleiding’ staat overigens vol met meer interessante observaties over ons Nederlandse fietsgedrag, zoals dat we zweren bij een zware gietijzeren fiets in plaats van een lichte toervariant, alsof de Nederlander nog niet doorheeft dat er inmiddels ook lichtere materialen bestaan.

Den Uyl heeft wel een bijzondere hoop, in een tijd waarin het fietsen juist sterk afnam door autobezit, dat voor zijn eigen fietsgenot de rest van de mensen in de auto blijft zitten, anders wordt het te druk op ‘s lands wegen.

Het Medusa-hoofd van Gian Lorenzo Bernini (rond 1640), in bruikleen van de Musei Capitolini.

Rijksmuseum na lockdown

Tussen 10:00 en 10:15 konden we het Rijksmuseum betreden. Binnengaan, een voor een, op anderhalve meter afstand. “Hoe voelt u zich vandaag?” vraagt een jonge suppoost. Goed. Prima, niks aan de hand. Treed binnen. Scan je eigen tijdslotkaartje en museumjaarkaart in een apparaat waarin een geprint kaartje eigenlijk niet goed past.

‘s Lands schatkamer van voorbije eeuwen is weer open voor publiek, 2 juni 2020 weer voor het eerst. De tentoonstelling ‘Caravaggio – Bernini, Barok in Rome’ is er nog. Ik wilde er eigenlijk de laatste dag voor de lockdown naartoe, maar besloot niet te gaan omdat ik me niet prettig voelde bij het idee met honderden mensen opgehokt te staan in een tentoonstellingszaal. Grappig dat ik nu een van de eersten ben die weer mag genieten van al dat moois.

Rijksmuseum vlak na 'intelligente lockdown' in Nederland
Rijksmuseum vlak na ‘intelligente lockdown’ in Nederland, foto 31 maart 2020

Ondanks dat we een vroeg tijdslot hebben, staat er toch een rij bij de entree van de tentoonstelling zelf. Een andere suppoost zei al: kijk anders eerst even in de eregalerij! Maar nee, dat is te min hè, dat is voor toeristen. Dus een half uur wachten, want dat is waar we voor kwamen; het beroemde licht van de agressieve Italiaan, het gehak in marmer van de lieveling van meerdere Pausen, hun tijdgenoten en volgelingen.

Onwennig, minstens twee meter afstand houdend staan we in een op het eerste gezicht nog korte rij. Dat bleek bedrog, want voordat je bij de Philipsvleugel bént, ben je nog zeker vijftig meter onderweg.

Het wachten gaf de mogelijkheid eens heel goed naar alles te kijken. Wat voor wandcontactdozen het Rijks nu eigenlijk heeft, maar ook naar de normaal onopvallende ornamentjes tot voor het eerst eens goed bekijken wat voor Renaissancemuur in de Philipsvleugel staat. Of het bestuderen van de houten trap naar de eerste verdieping, het kunstwerk Shylight van Studio Drift, het porselein in de vitrines en uiteindelijk de tentoonstelling zelf.

Velen luchtig gekleed en toch ‘een bepaald type’ dat daar rondstruinde. In doodse stilte bewoog iedereen zich om elkaar heen in een wonderlijke en krampachtig aandoende dans. Toch ben ik er zeker van dat ik anders nooit de kop van Medusa van Bernini zo uitvoerig en langdurig had bestudeerd als nu. En inderdaad, een magistraal beeld dat weergeeft het moment waarop Medusa van mooie blonde vrouw verandert in een monster met slangenhaar.

De tentoonstelling zelf staat vol met extreem uitgewerkte borst- en andere beelden, prachtige barokke schilderijen en veel meer, maar dit is geen recensie van de tentoonstelling, dit is kijken naar de mensen. De werknemers van het Rijks. Allemaal blij, bijna verlicht.

‘Een vat van vluchtende zielen’, Tu Wei-cheng

Zo sprak ik kort met twee medewerkers van de Caravaggio – Bernini-shop en het geluk straalde er vanaf. Gewoon weer bezig zijn met bezoekers, mensen die nog niet helemaal weten hoe ze nou elkaar moeten ontwijken, Hoe lang ze naar een kunstwerk kunnen kijken zonder dat té lang te doen. En gewoon weer een gesprek met andere mensen. Andere individuen.

Nog even via de Waller-collectie gegaan met prachtige prenten (veel meer tijd voor nemen, komt binnenkort), nog een vluchtige blik in het Aziatisch Paviljoen waar ook nieuwe werken te zien zijn, zoals ‘Een vat van vluchtende zielen’ van de Taiwanese kunstenaar Tu Wei-cheng en het begin van fotografie in Indonesië.

En dan, dan naar de eregalerij. Die plek waar je normaal niet komt. Te snobistisch? Te veel toeristen? Nou, nu niet. Praktisch geen ziel te bekennen, behalve de suppoosten en de onderzoekers aan de Nachtwacht in hun glazen kooi, of eigenlijk ‘Operatie Nachtwacht‘.

Voor het eerst kun je zonder mensen die kleine Vermeers op centimeters afstand bekijken. En de Van Steens, die moet je sowieso centimeter voor centimeter langsgaan om alles te zien.

‘t Voelde als een incourante maandagochtend, maar dan de hele dag. Een vreemde gewaarwording, maar een dikke aanrader aan eenieder die nu tijd wil maken om eens de werken te bekijken waar je normaal misschien van denkt: ja, die kennen we wel. Maar ken je ze wel in het echt?

ps, dit geldt natuurlijk voor alle musea in het land die open zijn, pak dat momentje!

Bomen in Amsterdam

Bomen in Amsterdam

Een van de leukere ontdekkingen die ik de afgelopen tijd deed, was de online kaartfunctie van de gemeente Amsterdam. En nee, ‘s lands hoofdstad is niet de enige met zo’n systeem, maar ik woon er nou eenmaal.

Van al die verschillende interessantere kaarten is de bomenkaart op dit moment voor mij het interessantst, ik wandel immers heel wat af. Praktisch elke boom op gemeentegrond is opgetekend in dit systeem met Nederlandse boomnaam, boomnummer, soortnaam, boomtype, boomhoogte, plantjaar, eigenaar en beheerder.

De kaart is te vinden op maps.amsterdam.nl/bomen en zo leer je al snel dat er niet een soort iep in de stad staat, maar heel wat verschillende soorten. In de buurt van mijn kantoor aan de Wibaustraat vinden we al de gewone iep, Hollandse iep, veldiep en Huntindon-iep. Maar ook de gewone plataan, kersen, zomereiken, dubbelbloemige paardenkastanjes, lijsterbessen, Canadese populieren, gewone esdoorns, valse acacia’s. Nou ja, ga zo maar door.

De oude begraafplaats Huis te Vraag vlakbij de Schinkel blijkt ook een verzamelplaats van meer dan overgroeide grafstenen. De vele verschillende kleuren stippen laten al duidelijk zien dat de verscheidenheid aan begroeiing groot is. Niet alleen dubbelbloemige paardenkastanjes, maar ook een witte paardenkastanje, ruwe, papier-, en zachte berk (ik had geen idee van het verschil), taxus’, beuken bruin en groen, lindes. Veel.

Locatie Huis te Vraag, bron: maps.amsterdam.nl

De gemeente heeft uiteraard ook een eigen verhaal. 270.000 bomen staan geregistreerd dus lang niet alles. Het Amsterdamse Bos staat in de Gemeente Amstelveen, dus daar zijn niet alle 150.000 bomen geregistreerd, al zijn de bomen wel weer van Amsterdam. In totaal schat de gemeente dat er één boom per inwoner is.

Rondstruinen met die kaartfunctie op je mobiel maakt ook je directe leefomgeving weer een stukje interessanter. :)

Wibautpark, links dubbelbloemige paardenkastantje, midden is onbekend en rechts een zomereik
STACK and file managers

STACK and file managers

Some time ago I moved from Dropbox to STACK, a file hosting service from Dutch hosting provider TransIP. For a long time I used the two services side by side, meaning to leave Dropbox at a certain point. But before I really took the step, a few years passed because re-syncing half a terabyte takes quite some effort. Eventually Dropbox made it easy a few years ago when it stopped supporting encrypted ext4 filesystems (which it supports again, but that was too late).

I’ve got to admit some collaboration options are not ideal on STACK. You can’t easily share a directory with someone else and collaborate in that directory. Others would have to download and upload files via a web browser to alter files. It works, but it is not ideal. Many request this as an option, and apparently it is native to OwnCloud, on which STACK is based.

On the other hand it supports WebDAV and sftp which gives it a wide range of possibilities. And 2FA, of course. So overall I’m pretty happy with the service. Only it lacked those nice icons on Ubuntu telling you if a file is actually synced or not…

Add icons in GNOME Files (or other file managers)

It turns out there’s more in the STACK repositories than they tell you when you navigate to the Linux installation page. Just a simple

apt search stack-client

tells you there’s an integration for Nautilus (GNOME Files), Caja (Mate), Dolphin (KDE) and Nemo (Cinnamon/Mint).

This gives you those nice little notification icons at the bottom right of the files or directories which are synced to your STACK.

Ook online is een kroeg handig

Ook online is een kroeg handig

Een kroeg, zo’n ruimte met als centrale en meest belangrijke deel de toog. Tapkranen voor het bier, koelkasten voor andere drankjes, misschien een koffiemachine. En natuurlijk de barman of -vrouw die de drankjes verzorgt, een luisterend oor geeft en verder overal verstand van heeft. Een handig systeem zo’n kroeg, je hoeft alleen maar te weten wanneer ie open is, verder niet. Is ie open? Dan kun je naar binnen, een supersysteem.

Alleen nu even niet handig omdat een kroeg ook mensen bij elkaar brengt, dicht bij elkaar. Helemaal niet handig als er een virus rondwaart dat zeer besmettelijk is. Dan moet ie dicht. Een vrij rigoureuze maatregel die misschien een paar dagen wel te doen is, maar daarna wordt het vervelend. 

Velen duiken nu op systemen met videobellen, sommige systemen ondersteunen zelfs tot honderden mensen tegelijk. Maar al die systemen laten je voor een camera zitten, terwijl je misschien wel samen wil zijn, maar niet samen wil praten. Je kunt je niet terugtrekken in een hoekje met een bekende of onbekende om de laatste sores of pleziertjes te delen.

Maar het grootste nadeel van videochatdiensten is: iemand moet het opzetten. Dan pas kun je er naartoe. Of je kunt het zelf opzetten, maar als je dan even geen zin meer hebt en je sluit het af, dan kan niemand er meer naartoe. Oké, naar de kroeg kun je ook niet als ie dicht is, maar je weet wanneer ie dicht is. Of open. En dan weet je dat er in ieder geval één levend wezen aanwezig is in de vorm van een barvrouw of -man. Kastelein, waard. Hoe je het ook noemen wil.

Daarom: de virtuele kroeg. In een systeem waar de Digitale Stad van inmiddels vele decennia her, jaloers op zou zijn. Eventueel zelfs in virtual reality te bezoeken, een kroeg die altijd open is en waar op gezette tijden sowieso een barman of -vrouw is voor een praatje.

Is de kroeg te klein? Dan maak je hem gewoon groter! Muziekje erbij, eventueel een webcammetje aan. Als je dat wil natuurlijk. En als je iemand niet wil horen, dan loop je gewoon weg. 

Klinkt als iets uit de toekomst? Nee hoor, opensourcewebbedrijf Mozilla bouwde er een systeem voor genaamd Hubs. Ik, we, of wie daar in de nabije toekomst aan mee gaan werken, heten je alvast van harte welkom in onze online kroeg. Hoe de openingstijden er precies uit gaan zien, dat weten we nog niet. Van 17:00 tot 19:00? Of van 21:00 tot 23:00? Misschien wil ook iemand de virtuele deur wel voor de ochtendkoffie opengooien. Kan allemaal. Wees welkom in de virtuele kroeg! Of in ‘De Toog’. 

De eigenlijke tapkast ontbreekt nog, maar hier kun je De Toog vinden:

https://hubs.mozilla.com/6eDBzw2/de-toog

Meedoen als kastelein (m/v/a), altijd al eens in een bar willen werken, maar nooit gedurfd? Let me know!

“Take off head phones”

“Take off head phones”

Zaterdag veertien maart 2020, hardloopschoenen aan, shorts, oud windjack, 1GB grote iRiver-mp3-speler in de zak, oortelefoontjes, geen telefoon, sleutels en gaan. Rennen, een stukje van heen en weer zo’n 4,8 kilometer langs het Jaagpad, onder de A10 Ring Zuid door langs het Nieuwe Meer tot een punt waar nu narcissen groeien aan de waterkant en dan weer terug. ‘Uit de Nieuwe Wereld’ van Dvořák speelt. Rent lekker, fijne cadens. Dan weer opzwepend en dan weer rust. Gedachteloos ren ik langs de woonboten, hou de sluis links, de ochtendzon schijnt nog onder het viaduct door en dan is daar ruimte, het donkere water dat de blauwe lucht reflecteert. Een enkele gans die kort gras graast. Graast een gans? Steeds iets verder. Langs enkele straatlantaarns het voetpad parallel aan het water op. Hier geen straatverlichting meer, maar dat is ook niet meer nodig nu het al vroeg licht wordt.

In een stiller stuk van de Dvořáks meesterwerk valt mij ineens op dat de vogels fluiten, en niet zo’n beetje ook. Kwinkelerende meesjes, roepen van vogels die ik niet thuis kan brengen, klepperende spechten. Spreeuwen die over de door en door vochtige grond van het Jaagpadbos hippen, af en toe hun snavel in de grond stekend. Het hele stuk hang ik de oortjes om mijn nek, niet meer terug in mijn gehoorgangen. De terugweg neem ik door het bos zelf, het valt nog mee. Het pad is vochtig, maar niet té nat. Vogels schrikken af en toe op en laten duidelijk merken dat er iets rondloopt dat er niet hoort, zo’n grote donkergele kanarie, de kleur van het Agu-windjack. Het laatste stukje bos is meer plas dan pad, maar er is een olifantenpaadje omheen.

Terug bij de straatlantaarns valt me iets op. Op vier van de zeven straatlantaarns voor je weer onder het viaduct doorgaat, zit iets. Letters. Het idee zal zijn dat als ze aanstaan, dat ze de letters op de grond projecteren, althans, dat vermoed ik. Het laatste woord, zal ik later begrijpen, is ‘phones’ op de paal het dichtst bij het Jaagpadbos. De volgende draagt ‘head’, de daaropvolgende ‘off’ en de laatste die eigenlijk de eerste is ‘take’. Waarom het er staat weet ik niet, iets erover vinden kan ik niet. Ik interpreteer het als: luister eens naar de wereld om je heen. “Take off head phones”.

Geen telefoon meenemen is heel rustig, maar dan heb je ook geen camera mee. Het kan overigens ook een aanklacht zijn tegen de veelvuldig overvliegende vliegtuigen, al is het nu met SARS-CoV-2 een stuk rustiger.

Stedelijke uitdagingen

Inmiddels leeft meer dan 55 procent van de menselijke populatie in stedelijke gebieden en dat neemt volgens de VN vermoedelijk toe tot 68 procent in 2050. Van deze groei zal negentig procent plaatsvinden in Azië en Afrika.

Dat zijn de ruwe cijfers van die groei, daar zit weinig emotie in. Waar wel emotie inzit, is: wat voor stedelijke gebieden gaan dat zijn? Worden dat eindeloze sloppenwijken of juist plekken met een hogere levensstandaard?

De mens laten floreren, dat is een grote uitdaging, maar daarnaast zijn er nog legio andere uitdagingen, ook in ons kleine stukje Europa, in die rivierendelta met een langzaam maar gestaag stijgende zeespiegel, dalende bodem en de komst van andersoortig extreem weer.

Stedelijke agglomeraties moeten ook van elkaar leren: de ene plek groeit als kool en elders is het al een voldongen feit en werkt de omgeving wel/niet goed. Zo wonen in de Tokio-regio 37 miljoen mensen, waarmee het de grootste conglomeratie is die de wereld tot nu toe kent. Daarnaast zijn er regio’s die je kunt zien als agglomeratie van steden en alles wat daarbij hoort, zoals de Parelrivierdelta in China die in 2015 volgens de definitie van de Wereldbank de positie van Tokio als grootste stedelijke agglomeratie overnam.

Het zal daarom ook steeds moeilijker worden om gebieden waarin mensen wonen als ‘niet stedelijk’ aan te duiden. We moeten wat dat betreft ook niet meer over ‘de stad’ spreken, maar over hele regio’s.

Die regio’s, daar moet het gaan gebeuren, maar dat vraagt wel het een en ander, zo noemde ik al even kort de noodzaak dat mensen kunnen floreren in de stedelijke omgeving van de toekomst. Dat vereist onder andere economische voorspoed, een schone en veilige omgeving en aanverwante zaken, zoals toegang tot wonen, diensten en life spaces in de vorm van cultuur, stedelijk erfgoed, publieke ruimtes, sociale structuren en verenigingsleven of associational life.

Al die eisen gaan overigens wel ergens aan voorbij: rampen zijn niet voorspelbaar en respecteren geen grenzen. Zaken als rekening houden met toekomstige klimaatverandering zijn daarom ook van groot belang, maar ook het omgaan met uitbraken van besmettelijke ziektes en dergelijke mogen niet vergeten worden en tal van andere zaken.

Stedelijke uitdagingen, een extreem breed en complex begrip. Onder dit brede containerbegrip, wil ik in eerste instantie onderzoek doen naar hoe het in de nabije en verdere toekomst staat met mobiliteit in de stad, zowel sociale- als werkelijk fysieke mobiliteit. Dat doe ik in eerste instantie lokaal, vanuit de stad waar ik woon en het land waar ik leef.

Bitcoin, nog steeds bijzonder onbegrepen | Computable.nl

Op Computable.nl schreef ik een reactie op een technisch zeer rammelend stuk in het FD, link onderaan:
Onbegrip rond Bitcoin (protocol), blockchain en andere distributed ledger-technieken is nog steeds in grote hoeveelheden aanwezig. Vaak berust dit onbegrip op kennislacunes, maar het cryptovalutasysteem bitcoin (de munt) zette ook veel paradigma’s onder druk, al is het alleen maar de vraag: wat is een geldsysteem zonder politieke kleur nou eigenlijk?
Die laatste vraag moet even rusten. Eerst gaan we vanuit de technische kant kijken naar een recent opinieartikel in het FD van twee trendanalisten waar eigen mening en het gemis aan kennis probleemloos door elkaar gehusseld worden. Dit kan doordat de meeste mensen geen flauw idee hebben hoe het Bitcoin-protocol werkt, waardoor iedereen wat kan roepen in opiniestukken zonder verder onderzoek te doen of dat eindredacties hier vragen bij kunnen stellen. Hoog tijd om voor de zoveelste keer een paar hardnekkige mythen en sagen rond dat stukje technologie de wereld uit te helpen.

Source: Bitcoin, nog steeds bijzonder onbegrepen | Computable.nl

De zuidelijke Citroëngarage aan het Stadionplein in Amsterdam, tegenwoordig Move Amsterdam (28 januari 2020)

Datahonger, ook als je ergens fysiek bent

28 januari, Grijs, wind, regen. Niet heel koud. Hoog tijd om de Move Amsterdam te bezoeken in de oudste van de twee recent gerenoveerde voormalige Citroëngarages aan het Stadionplein. Waarom? Omdat ik in de Amsterdam-editie van de NRC las dat het allemaal heel mooi opgeknapt is en ik er praktisch om de hoek woon. En natuurlijk omdat ik bezig ben met onderzoek naar mobiliteit in de stad.

Terwijl ik mijn fiets tegen een nietje zet, wordt ondertussen een felgroene Lamborghini uitgeladen om in de voormalige garage onderdeel van een tentoonstelling te worden. Pardon, experience.

Bij binnenkomst in Move zie je direct wat blikvangers. Een kunstwerk, of installatie, van Studio Drift dat eerder in het Stedelijk Museum hing en beweegt als een soort rog of platvis. Een tot bol gevormde oude VW Kever, een iconische Porsche, al weet ik het typenummer niet direct, een visueel niet bijster aantrekkelijk futuristisch karretje en een jongedame met iPad die me binnen gaat laten.

Of toch niet?

De experience is gratis toegankelijk, maar je moet wel je gegevens afstaan. “Als u even uw gegevens invult, krijgt u daarna een e-mail met het kaartje, maar die kunt u verwijderen, want u bent er al.”

Ik begin met het invullen van mijn voornaam in het daarvoor bedoelde veld, begin te twijfelen en vraag of het echt móet. De velden voor-, achternaam en e-mailadres zijn zelfs verplicht, zo duidt het rode sterretje in de rechterbovenhoek van de velden. Ik had natuurlijk naar hun AVG-implementatie moeten vragen, maar dat bedacht ik op dat moment niet.

Intussen was een grote deur opengegaan om de groene Lambo binnen te laten, of was het toch een Ferrari? Lastig voor mij als niet-kenner zonder het merkje aan de voorzijde te kunnen zien.

Intussen spoedde de baliemedewerkster zonder balie zich naar de balie, op zoek naar iemand met meer zeggenschap in het hiërarchisch systeem van de beveiliging. Toevallig komt een iets oudere mevrouw net aangelopen met een streepje meer op het revers. Dat is fijn, want bij de balie was niemand bij machte een uitspraak te doen over het voorval. De vriendelijke dame begroet mij, geheel volgens allerlei conventies, met vriendelijke blik en uitgestoken hand, die ik uiteraard beantwoord en schud.

Er is een compromis, geeft ze aan: ik schrijf mijn gegevens op een briefje dat weer verscheurd wordt als ik ga. Hoezo is dat nodig? vraag ik. Het gaat toch alleen om aantallen? Nee, de holding schrijft dat voor, er werken immers veel meer mensen in het gebouw.

Omdat ik soms heel erg statements moet maken, bedank ik en verlaat het pand zonder ooit zeker te weten of het nou inderdaad een Lambhorgini of Ferrari is die vlak na mijn weinig dramatische aftocht naar binnen gereden werd.

Eenmaal buiten gaat het stortregenen.

De zuidelijke Citroëngarage, tegenwoordig Move Amsterdam, aan het Stadionplein

* Uiteraard kom ik ooit terug, maar dan met een eigen kaartje, aangemaakt met een fake e-mailadres. ‘Ook Joost van den Vondel bezocht de experience!’