Het ontstaan van een nieuw soort ‘geldmachines’: de ICO

Het ontstaan van een nieuw soort ‘geldmachines’: de ICO

Met cryptovaluta’s ontstond veel nieuwe bedrijvigheid op internet. Via ingenieuze netwerken kunnen gebruikers geld maken door te ‘minen’ of door te handelen of er gewoon mee te sparen. Bitcoin was de eerste. Na vele andere cryptovaluta’s of alt coins kwam enkele jaren later een soort Bitcoin 2.0 voorbij, namelijk Ethereum. Die laatste is een platform met een blockchain, de achterliggende techniek van onder andere Bitcoin, waar meer op kan dan op de tot dan toe ontwikkelde blockchains.

De ‘spelletjes’ die op de Ethereum-blockchain gespeeld kunnen worden zijn ingewikkelder, tot complete, zij het simpele, computerprogramma’s. Sinds enkele maanden is er daarom een nieuw spel: het uitbrengen in eigen beheer van een eigen munt of token door nieuwe bedrijfjes waarmee ze investeringsgeld binnen willen halen. Dit kunnen ze doen door een eigen blockchain te bouwen, maar het kan ook heel makkelijk bovenop de Ethereum-blockchain. Dat laatste is sinds enige tijd heel populair en maakt sommigen in één klap wel erg vermogend (al was investeren in Ether en een jaartje wachten misschien nog wel slimmer). Dit systeem heet een initial coin offering of ICO, ergens vergelijkbaar met een IPO, ofwel initial public offering of beursintroductie in het Nederlands.

Een ICO is in eerste instantie niets anders dan een manier om geld op te halen met een cryptotoken die in de nabije toekomst uitgegeven zal worden. Aan het bedrijf of de groep die de nieuwe token of munt introduceert, wordt een hoeveelheid aan meer gebruikelijke crypto’s met relatief stabiele tegenwaarde in fiat geld gedoneerd. De gulle gever krijgt hier geen aandelen voor maar slechts tokens die een bepaalde waarde vertegenwoordigen. De gever krijgt die tokens door te investeren via Bitcoin, Ether of welke andere munt de ICO-aanbieder ook maar wil accepteren.

De eerste keer dat ik de term ICO hoorde, is vermoedelijk iets voor de ICO van het Wings-platform geweest, in november 2016. Wings is een platform om te voorspellen hoeveel een ICO vermoedelijk op zal brengen, ook wel prediction market. Hierdoor kunnen de ‘voorspellers’ weer geld verdienen doordat een deel van de opbrengst van de ICO wordt uitgekeerd aan, jawel de beste voorspellers. De gebruikers van het platform worden geacht informatie in te winnen over de projecten waar ze een hoeveelheid Wings-tokens aanhangen en de gedachte is dat de mediaan van het geheel een goede voorspeller is van wat de betreffende ICO op zal brengen.

Op dit moment betekent dat: alles wat maar mogelijk is. De meeste ICO’s hebben een verborgen of bekend maximum met betrekking tot de maximale hoeveelheid te investeren geld of cryptovaluta, zoals Bitcoin, Ether of dollar en op dit moment wordt dat bij goed onderbouwde munten vaak gehaald.

Wat is nou het lastige van deze materie? Waarom moeten investeerders hiervan op de hoogte zijn? Om de doodsimpele reden dat het potentieel interessant kan zijn, maar ook om de valkuilen in te zien. Dat laatste is misschien wel van een groter belang voor de mensen met briljante ideeën die op een dergelijke manier hun op een blockchain gebaseerde techniek aan de man willen brengen.

Het is lastig een hoofdreden aan te wijzen waarom er zo’n enorme interesse in ICO’s is op dit moment. Een eerste grote ICO, maar toen wist ik nog niet van dat woord, werd medio 2016 gehouden met het The DAO-platform. Kort gezegd moest dat een investeringsplatform worden waarbij investeerders zelf konden aanwijzen waar geld in de vorm van die specifieke munt naartoe moest. Helaas zat er een fout in het ‘smart contract’ of computerprogramma wat op de Ethereum-blockchain draaide, waardoor er heel veel geld gestolen kon worden van de investeerders. Voor een uitleg van wat daar gebeurde, verwijs ik naar een achtergrondartikel op Tweakers. Op dat moment was Ether iets van 12 euro per stuk waard om even bijna de 20 euro aan te tikken. Daarna kelderde dat weer een eind naar beneden om in januari van 2017 ergens de 7,50 euro aan te tikken.

Om de bekende onduidelijke redenen van de crypto-wereld (pun intended) steeg de tegenwaarde van Ether ten opzichte van de Euro zeer sterk in 2017. In mei werd ruim boven de 300 euro per munt afgetikt. Ook Bitcoin maakte in dezelfde tijd een enorme stijging door en vele andere alt-coins deden datzelfde. Prachtig natuurlijk: je investeerde in een ICO met je Ether, de nieuwe munt ‘Pietjes Prachtige Munt’ wordt voor een laag bedrag verkocht en enkele weken later is die ineens zes keer over de kop en verkopen maar.

Volledig ongereguleerd kunnen allerlei vroeg-rijke bitcoinmiljonairs (en ethermiljonairs, etc.) hun crypto’s ergens anders kwijt zonder hun nieuwe rijkdom aan wat voor belastingdienst dan ook op te hoeven geven door het in te wisselen in fiat pecunia (overigens verwacht de Nederlandse belastingdienst dat bezitters van cryptovaluta het equivalent van de munt op 1 januari opgeven als bezit). Of mensen die een gokje willen wagen kunnen met hun spaarcentjes aan de slag zonder dat ze eerst bij een investeringsbank langs hoeven met hun paspoort of wat dan ook. Heerlijk ongereguleerd, al verwacht iedereen ‘in het wereldje’ dat er op den duur ergens regulering vandaan zal komen. Op dit moment zorgt het vooral voor heel veel copy-cats en een enkele, wel nuttige innovatie.

Toch zit er een mooie kant aan deze nieuwe goudkoorts in dit onbekende ‘wilde westen’. Stel je hebt een briljant plan voor een bepaalde invulling van blockchain-technologie en daar heb je na een tijd ploeteren echt een goed uitgewerkt idee voor. Helemaal uitgedacht met een tijdspad en vermoedelijk een white paper waarmee je je legitimiteit wil aantonen.

Nu moet het echt gebeuren: je hebt programmeurs nodig, liefst ook nog wat mensen die iets anders kunnen dan in code denken, er is geld voor apparatuur nodig, etc. Wil je een paar jaar vooruit plannen zonder dat je daadwerkelijk omzet verwacht te draaien, dan is daar wel wat kapitaal voor nodig. Hoe doe je dat? Even naar een zogenaamde venture capitalist stappen in een investeringsronde is niet heel makkelijk. Zeker niet als je hele ecosysteem ook nog open source by design is. Zie maar geld los te peuteren. Dat is dus nu wél te doen bínnen het eigen ecosysteem van cryptovaluta’s.

En dan is er nog een voordeel: de mensen die geld investeren, krijgen geen andelen in je bedrijf. De investeerder krijgt slechts digitale tokens of crypto-geld. Interessant genoeg zijn die tokens vaak ook weer te gebruiken om diensten van de dienst te gebruiken (veel diensten binnen die zogenaamde gedecentraliseerde applicaties of dApps functioneren door de specifieke tokens). Als de tokens eenmaal in bezit zijn, kunnen ze ook weer verhandeld worden buiten het ecosysteem van die dApps, juist omdat ze weer geen aandeel representeren in zo’n bedrijf.

Laat dit allemaal rustig bezinken. Het is pas het allereerste begin, al zal het grootste deel van de basis nu al uitgedacht worden. Zelf hoop ik dat ook andersoortige projecten, zoals meer goededoelenprojecten of projecten die juist zoveel baat hebben bij de vrijheid die het huidige blockchainecosysteem biedt(afhankelijk van welke je gebruikt of zelf maakt natuurlijk), niet volledig zullen onder sneeuwen in deze ‘Gold Rush’.

Gedenkwaardige ICO’s (alle bedragen zijn equivalenten van dat moment in dollars, bijvoorbeeld: 1 bitcoin was toen 250 dollar waard; 300.000 bitcoin opgehaald x 250 = 75 miljoen dollar):

Ethereum (1 bitcoin was goed voor 2000 ether, juli 2014): > 15 miljoen dollar

The DAO (afhankelijk moment van kopen, mei 2016: 1 ether was goed voor 100 DAO: ~ 130 miljoen dollar)

Bancor (draait op Ethereum, 12 juni 2017, door vastlopen netwerk liep de ICO 3 uur in plaats van te stoppen na de maximale cap en werd 153 miljoen dollar opgehaald met 396.720 ether)

Zie voor een overzicht van de meeste ICO’s dit Screenshot van Smith & Crown op 13 juli 2017, een adviesbureau rond crypto’s.

disclaimer: dit is geen beleggingsadvies. Zelf heb ik geen grote belangen in welke cryptovaluta dan ook, al is het onmogelijk de systemen te doorgronden zonder er zelf mee te spelen. Ook ben ik op moment van schrijven niet gelieerd aan een bedrijf dat zich actief bezighoudt met blockchain-gebaseerde technologie.

Ik las een week alleen de papieren krant en dat beviel heel goed, maar…

Ik las een week alleen de papieren krant en dat beviel heel goed, maar…

Een week geleden kondigde de NRC aan tabak te hebben van Blendle. ‘We doen het zelf wel!’ kondigde Vandermeersch luid aan in het betreffende artikel. Dat kwam hem op veel onbegrip te staan, maar Vandermeersch’ redenen om uit de online kiosk te stappen vonden niet louter negatieve respons. Ook in mijn directe omgeving van on- en semi-online journalisten, bleek al langer wrok tegen Blendle te bestaan, zeker sinds het medium hun bijna-all-you-can-eat-model introduceerde.

Een abonnement op één titel. Hoe is dat ook al weer, vroeg ik me af. Daarom besloot ik een week geen artikelen via Blendle te lezen en kocht dagelijks de papieren middageditie van NRC. Afgezien van de vraag of kranten wel heel representatief zijn rond de verkiezingen, leek het een aardig idee. Omdat ik tot een half jaar terug een papieren Parool ontving, kon ik al wel enkele vooronderstellingen doen zonder ook maar één papieren krant ingekeken te hebben. Het verschil met die tijd en nu: toen gebruikte ik Blendle naast de krant en las die laatste tussen koffie en avondeten aan de keukentafel. En dan vooral het nieuws dat je niet direct op internet zou opzoeken. De grote vraag is dus wat een krant in zijn eigen vorm zo uniek maakt dat je er zelf apart een abonnement op neemt.

Vooronderstellingen:

  1. Papieren krant leest rustiger omdat je minder afleiding hebt
  2. Je leest stukken die je normaal niet leest, ook niet via Blendle of een andere online-dienst omdat je alles kunt overzien of gewoon je oog erop valt
  3. Ik ga Blendle missen, want ik kan ineens minder artikelen lezen

De eerste twee zijn waar. En ook dat een krant handig is als je je schoenen wil poetsen of iets anders waar afdankbaar papier voor nodig is. Nummer drie klopt alleen niet, met de kanttekening dat ik nu nog een papieren Groene Amsterdammer-, VPRO Gids- en New Scientist NL-abonnement heb, al sneuvelen die misschien ‘omdat ik ze toch wel via Blendle lees’. Ze liggen meestal in een hoekje stof te vangen. Omdat ik die papieren opties nog heb, mis ik Blendle niet. Althans, niet direct. *

Het experimiment

Terug naar de krant. Dag 1. Mijn eerste gedachte na het relaxed lezen van de krant was dat iedereen weer terug naar papier zou moeten. Mijn telefoon lag stil elders en ik heb me een kleine drie kwartier samen met een kop koffie nergens aan gestoord. Het voelde alsof ik terug was in de middelbareschooltijd om aan het eind van de middag als 17-jarige rustig de krant te lezen zonder iets te moeten. Maar 17 ben ik al een tijdje niet meer en het verheerlijken van nostalgie is niemand vreemd.

Dag 3. Het dieet van alleen grote verhalen over ‘grote zaken’ die je gelezen moet hebben is weg. De opbouw van dat papieren stuk antiek is zo gek nog niet. Geen zin in ‘voorpaginanieuws’: sla gewoon de eerste zoveel pagina’s over in één vloeiende beweging. Of begin achteraan. Of trek er een katern uit

Omdat Blendle voor veel mensen steeds meer samensteller wordt van wat je leest, kom je niet meer aan de kleinere, schijnbaar minder belangrijke verhalen en artikelen toe. Dat kan van alles zijn: een filmrecensie of vooruitblik op een documentaire op lineaire televisie zal ik niet aanklikken in Blendle en ook niet opzoeken. Dit soort artikelen wordt ook niet vooraf voor mij ‘gecureerd’ (mag dat woord bij dezen een snelle dood sterven?) door Blendles algoritmes en menselijke samenstellers. Dat ene verhaal wat buiten je eigen interessegebied zou liggen, maakt dat helaas niet goed.

Nog een apart ding: rouwadvertenties. Mensen die iemand verloren hebben, wat ik helaas onlangs zelf meemaakte, plaatsen vaak advertenties in dagbladen waarvan ze vermoeden dat mensen uit hun — vroegere — omgeving die lezen. Je oog glijdt er bewust of onbewust toch even overheen. Als je een bekende naam ziet, kijk je of je die kent. Dat is natuurlijk deels vervangen door socialmediakeizerrijk Facebook en andere, in de marge aanwezige diensten, maar die zijn in dat geval ook niet alwetend als je niet per ongeluk ‘vriend’ bent met (al is een toekomst waarin kunstmatige intelligentie alle punten van je leven verbindt, zonder dat je daar zelf nog iets aan hoeft te doen, verre van ondenkbaar).

Verkiezingen

Dag 7, 15 maart 2017. Is er een slechtere dag om een krant te beoordelen? Ja, de dag dat er geen krant meer is. Uiteraard handelde een groot deel van de teksten over de verkiezingen. Maar toch houdt de krant een cadans. Een ritme, een afwisseling als een ouderwets popmuziekalbum met een opbouw van verschillende nummers. Van hit naar melodieus naar wat de artiest ook maar kon bedenken. Zo ook in de krant. Afwisseling zodat je hersens niet overvoerd worden door ingewikkelde verhalen en zich ook even kunnen herpakken.

Maar is dat allemaal genoeg om alles nog in eigen beheer te willen uitgeven zoals NRC dat wil? Eigen abonnementen, digitaal of combinaties van papier en digitaal, en een eigen ecosysteem dat niet van buiten te raadplegen is? Als daar een simpel, eenduidig antwoord op zou bestaan, zat NRC nu niet in dit ‘conflict’ met ‘kiosk’ Blendle. Precies datzelfde geldt andersom voor Blendle: als het antwoord makkelijk was, ontstond er niet zo’n hetze.

Ondanks dat het natuurlijk een ‘leuk experiment’ is, zo’n week alleen papier, is het niet houdbaar. 2,60 euro per dag per krant en in het weekend nog 60 cent meer. Niet dat het heel veel geld is, maar papier is voor een belangrijk deel echt aan zijn laatste loodjes bezig. Zelf wil ik het niet, maar dat ik een half jaar geen papieren krant had, was me even niet opgevallen. Daarbij komt dat NRC wil ‘inzetten op producties met meer soorten content‘, zoals video, geluid of bijzondere artikelen verrijkt met andere media. Dat kan nog niet op papier.

Browsen en bladeren

Het is jammer dat beeldschermen zich zo slecht lenen voor overzicht. Voor echt browsen. Of bladeren zo u wilt. Tablets, aanraakschermen, e-readers, laptops, desktops, telefoons. Allemaal net niet ideaal. Alle met hun eigen voor- en nadelen. Het maakt dat het samenstellen van een eigen geluid, een eigen ritme, lastig is. Al probeert Blendle dat wel degelijk door bijvoorbeeld de lettertypes van de publicaties over te nemen. Zo is de Maarten! met zijn rare typografie ook op Blendle lastig te lezen. Toch stelt een ander de stukken voor je samen en dan blijken lettertypes ineens wel erg karig.

We mogen overigens heel andere partijen ook niet uitvlakken, namelijk de grote spelers Facebook en Google. Net als bij Blendle geldt daar dat je heel veel clicks nodig hebt om daadwerkelijk iets te verdienen. Dat is bij een normale krant niet anders. Heel veel korte, kleine kattebelletjes zijn op zich niet het betalen waard. Een enkel gedicht levert een auteur een beetje op in de krant, maar via een medium als Facebook of Blendle vermoedelijk helemaal niets. In die zin kan het niet anders dan dat er grote uitgevers zijn die met enkele zaken veel geld binnen harken om de kleine, maar niet minder belangrijke, stukken te bekostigen.

Het kwam Blendle in eerste instantie op kritiek te staan dat het niet rechtstreeks aan freelancers uitkeert. ‘Mijn stuk is veel gelezen, nu wil ik meer geld!’ Was een veelgehoorde klacht. Via Reporters Online is het overigens mogelijk dat freelancers hun verhaal recyclen en veel bladen en kranten staan dat ook toe na een bepaalde met inachtneming van een bepaalde tijd tussen publicatie via hun en door de freelancer zelf. Blijft staan dat als je te veel voor een niche schrijft, dat je nog zo belangrijk kunt zijn, een cent hou je er nauwelijks aan over.

Anderhalf miljard klanten

Het probleem op internet en geld verdienen aldaar is dat het extreem top-down is. Je hebt niet veel mensen nodig om iets op te zetten dat heel veel kan opleveren. Voor Facebook zijn bijna geen medewerkers nodig in vergelijking tot een bedrijf dat fysieke zaken zou doen met meer dan anderhalf miljard klanten. Of zijn het producten? Tel uit je winst. Maar om nu de discussie te gaan voeren dat er te weinig werk is en dat dat helemaal niet erg is, gaat wat ver.**

Na dit intermezzo komt toch de, of in ieder geval een soort van, conclusie. Kan NRC het in zijn eentje, zonder Blendle of andere online shops? Ik denk van niet. Zoals ik al schreef in het vorige artikel hierover: het is en-en, niet of-of. Wat geldt voor NRC geldt ook voor de rest van de tijdschriftenwereld: vrijwel alles wat een digitale variant kan hebben, zal hier niet omheen kunnen. Het los van elkaar willen zien van het fysieke en digitale product, is na ruim 20 jaar internet voor het grote publiek echt mijlenver achterhaald. Wellicht wordt ‘papier’ een ‘exclusieve’ versie van de krant. Een soort van ‘business class’ en de rest wordt ‘economy’. Dat parasiteert dan hopelijk minder ernstig als goedkoop vliegen.

Streaming money

Uiteindelijk komt het allemaal neer op verdienmodellen en misschien zien we in de toekomst iets als stromend geld of streaming money met de komst van cryptovaluta zoals Bitcoin. Maar voor het zover is, eenieder die iets online wil verkopen zonder dat dit via advertentie-inkomsten gaat van één van de grote online aanbieders van allerhande inhoud, zal moeten zorgen voor heel simpele afrekenmethodes of donatieknoppen.*** NRC’s experiment kan vermoedelijk alleen slagen als het dat kan of wil aanbieden.

Uitgever Ernst-Jan Pfauth van De Correspondent schreef er een interessante nieuwsbrief op Revue over. Gek genoeg is zijn eigen — via abonnement betaalde — medium níet via Blendle te lezen. Wel is overigens elk artikel zonder commentaren te lezen voor mensen die een link krijgen van een artikel via een betalend lid. Misschien moet hij daar maar eens over aan de tand gevoeld worden (of worden al lang plannen gesmeed dit soort inhoud wel aan te bieden via een platform als Blendle).

De complexiteit van online geld verdienen is enorm, tenzij je de grootste bent en helemaal bovenaan staat. Bedenk daarbij dat we in een minuscuul taalgebied leven en sappelen is de toekomst. Dat daar ‘iets’ mee moet, staat buiten kijf. Hoe, dat is nog even de vraag. Toevallig schreef tijdschrift Quote onlangs een artikel Hot and Streaming over streaming-muziek en geld verdienen. Lastige business en het gaat om volume, zo laat label Spinnin’ Records zien van Eelko van Kooten.

Blijft er nog één interessant en heikel punt over voor Blendle of eigenlijk alle aanbieders: het is op internet een winner takes all. Monopolies winnen. Dat vinden sommigen, zoals Peter Thiel, mede-oprichter van onder andere PayPal, geen probleem. In Nederland bestonden meerdere online tijdschriften- en krantenverkooppunten, zoals Elinea en MyJour, maar alleen Blendle lijkt het aardig te doen. Elinea ging failliet en is augustus vorig jaar overgenomen. De site bestaat nog, maar de laatste artikelen zijn van eind augustus 2016. MyJour is failliet en bestaat niet meer. Vinden we dat een probleem?

Al met al: zonder experimenten geen kennis. Ik ben benieuwd naar de korte- en middellangetermijnuitkomsten van NRC’s experiment.

*Ik mis de deel-optie. Ook mét lezen op papier deel ik vaak later een interessant artikel. Soms heb ik de neiging van papier af te willen delen, maar ja.. dat kan nog niet.

**Waarom er zo veel middenmanagement rondloopt kan anders niet verklaard worden

***Denk bijvoorbeeld aan Flattr of de browser ‘Brave‘ die via Bitcoins microbetalingen doet aan sites waar de gebruiker vaak komt

In deel één beschrijf ik onder andere mijn twijfels bij Blendle’s All You Can Read-model.

Raw- en jpg-bestanden simpel samen verwijderen in Ubuntu: Geeqie

Raw- en jpg-bestanden simpel samen verwijderen in Ubuntu: Geeqie

Je kent het wel: schiet je een sd-kaartje vol met vooral heel veel slechte foto’s. Lekker met die dslr in de weer. Uit luiheid maak je de fotookes in gecombineerd raw- en jpg-formaat zodat als ie er al wel prima uitziet via het interne beeldverwerkingssysteem, dat je er niets meer aan hoeft te doen. Gewoon lekker klik-verstuur-en-klaar. Niks eerst al die cr2-bestanden checken, bewerken en al die vreselijk tijdrovende (on)zin.
Maar dan. Je hebt ook geen zin om op de camera alle bestanden stuk voor stuk te bekijken en daar te verwijderen. Dat gaat makkelijker en sneller op een gewone pc. Nou ja, in mijn geval een met Ubuntu. Op de een of andere manier leek er geen enkele mogelijkheid te zijn om dat wél snel zonder zelfgeschreven script op te lossen.
Van alles geprobeerd. Gthumb (fijn programma voor van alles, maar niet dát ene dus), Shotwell (blijft onmogelijk). Verschillende raw-verwerkers, zoals Darktable en RawTherapee. Gewoon via Nautilus. Via de terminal. ImageMagick. Allemaal niet of net niet handig.
Hoog tijd om er weer eens een zoekopdracht aan te wijden. En ja, daar bleek het te zijn. Geeqie. Een onmogelijke naam voor een onooglijk programma, maar: het werkt. Doet precies wat je wil. Soort van image viewer plus. Mét die belangrijke delete all-optie.

Geeqie screenshot met sidecar-files
Video-editor Lightworks 14 krijgt nieuw uiterlijk

Video-editor Lightworks 14 krijgt nieuw uiterlijk

Voor GNU Linux-gebruikers zijn er maar weinig goede professionele video-editors. Er zijn wat praktische en vrij gebruiksvriendelijke opensource-applicaties zoals OpenShot , PiTiVi en Kdenlive , waarvan die laatste de meest professionele is. Voor de durfal kan zelfs Blender gebruikt worden, maar dat programma richt zich voornamelijk op animatie.

Maar de afgelopen jaren timmert ook een (nog) niet opensourceproject aan de weg, namelijk Lightworks. Nadeel van Lightworks is vooral dat de editor voor de ongeoefende gebruiker er tamelijk lastig uitziet.

Met de nieuwste bèta van het programma, nummer 14, wordt het beeld met losse schermen losgelaten en is er het nodige werk verricht om de editor toegankelijker te maken. Daarnaast zijn de gereedschappen om audio- en video-effecten toe te passen verbeterd.

Verder is er vanuit het programma toegang tot een bibliotheek waarin licentievrije hd- en stockvideo’s te vinden zijn, afhankelijk van de licentie die je gebruikt voor Lightworks. De mogelijkheid om voice-over toe te voegen is nu ook uitgebreid naar de gratis versie.

Lightworks is verkrijgbaar voor Linux, Windows en macOS. De gratis versie ondersteunt uitvoeren naar Vimeo in 1080p en naar YouTube in 720p, maar het lokaal opgeslagen Vimeo-bestand is natuurlijk ook in 1080 naar YouTube of andere diensten te uploaden.

Persoonlijk vind ik het een prettige editor, maar wie de huidige stabiele versie wil gebruiken, doet er waarschijnlijk goed aan een paar tutorials te volgen. Daarna lijkt alles een stuk minder onlogisch en wordt ook duidelijk waarom bepaalde keuzes in het verleden zijn gemaakt.

Een .deb of .rpm van Lightworks 14 is te vinden op de site. De pro-versie van het programma is te krijgen voor 19,99 euro per maand, een jaarlicentie kost 134,99 euro en een ‘voor altijd’-licentie kost 337,99 euro. Daar zit dan wel Boris FX en Boris Graffiti bij.

Windows 10? Ubuntu? ChromeOS? Iets anders?

Windows 10? Ubuntu? ChromeOS? Iets anders?

89790
SUSE Linux Enterprise Edition, november 2006. Achtergrond: magneetje zwevend boven supergeleidend materiaal.

Het tl;dr-antwoord is: voor normaal dagelijks gebruik maakt het me geen fluit meer uit. Of toch? Het ene besturingssysteem doet dat iets makkelijker, de ander dat. En wat de een niet zelf heeft, is wel weer te vinden in een programmaatje wat dat dan wel doet.

Voor de volledigheid: mijn eigen computers draaiden op DOS-varianten en later Windows-versies tot en met Windows XP. In 2006 ben ik naar SUSE Linux Enterprise Edition gegaan, World of Warcraft draaide prima via Wine op een toen spiksplinternieuwe Asus-laptop met een mobiele Ati-kaart. De desktop draaide nog even XP meen ik, maar vrij snel kwam daar Ubuntu op, wat ook rap naar de laptop verhuisde. Vanaf dat moment was Ubuntu mij os-of-choice. Als eindgebruiker met goede online zoekskills, dat wel. Tussendoor natuurlijk regelmatig andere os-en gebruikt. Macs bij een paar bedrijven en Windowsmachines idem dito. Dat was voornamelijk Windows 7, al had ik altijd een soort van ruzie met dat systeem. Dat laatste lag misschien meer aan verplichte programmatuur als Word en Outlook. Oh. Outlook. Wie. Hoe kan het dat. Nee, hoe is het mogelijk dat een e-mailprogramma dat zo ontzettend niet functioneert nog overal gebruikt wordt met de bijkomende dramatische Exchange-servers. Maar dat heeft niet zoveel te maken met mij als eindgebruiker.

Onlangs besloot een moederbord er spontaan mee op te houden. Het beestje was al op leeftijd en diende mijn nukken al een jaartje of zeven. Omdat ik vond dat ik in verband met een uit de hand lopende fotografiehobby misschien toch eens aan de slag moest met het Adobe’s Lightroom, moest er dan misschien ook maar een Windows-partitie op de nieuwe computer komen te staan. Dat had wat voeten in aarde. Nog steeds een beetje aangezien “Activate Windows. Go to Settings” nog steeds rechts onderin de hoek prijkt, het is nog niet heel irritant. *

Na wat gepiel, startte ik eigenlijk niet meer op met Windows en zelfs Lightroom was niet zo fantastisch veel fantastischer dan verschillende opensourcelightroomachtigen, waardoor het toch weer snel Ubuntu-only werd. Eigenlijk heeft Lightroom me vooral de opensourceprogramma’s beter leren gebruiken. Dank daarvoor.

Maar aan alle geluk komt een eind. Ik kreeg te maken met een spontane reboot. Nou is het moederbord zo’n overclockersding, wat ik dan ook wel een beetje gedaan heb… en wilde ik weten of het toevallig een geheugenprobleempje was. Maar sinds uefi werkt Memtest86 niet meer. Kut. Gelukkig ben ik wel een beetje een nerd en wilde iets met Memtest86 doen. Dat werkt niet meer sinds uefi, dus ik ging heel eigenwijs toch dingen doen vanuit Ubuntu. Maar ergens kwam ook een waarschuwing langs. Nou ja, even negeren. Dom. Uefi roept nu met een groot rood scherm dat er ‘iets gewijzigd is op een manier die niet had gemogen’ en start dan door naar de Windows-partitie. Omdat er nog geen tijd geweest is dat uit te zoeken, toch maar Windows gebruikt. Eigenlijk wel goed voor zo’n langdurig weigeraar. Ik zeg vaak tegen mensen dat ze iets misschien eens langer moeten gebruiken om te weten hoe iets werkt. Bij mij gold dat voor Windows.

Na een stief weekje Windows gebruiken, blijkt de boel prima te werken. Sommige dingen moet je gewoon maar voor lief nemen, zoals oude apparatuur die niet meer werkt. Stom en idioot, maar goed, bij Ubuntu en dergelijke moet je ook wel eens iets accepteren. Het een werkt fijner of beter in Ubuntu of ChromeOS en het ander weer in Windows.

Wat ik een onprettig gevoel vind geven – nog steeds – is dat ik me niet helemaal veilig voel. Nu zal ik niet snel een of ander raar ding downloaden, maar toch. Ik mis repositories en ik mis de command line die ik, zelfs als niet-programmeur, vaak gebruik. Even snel iets installeren, een sudo-apt-getje. Zooitje foto’s verkleinen, een mogrify-resize-zoveelprocent-actietje. Het onlangs gebruikte files-zoeksysteem in Ubuntu werkt handiger (en lijkt accurater). Sowieso heeft Microsoft wel erg veel opties in de optie-balk van de File Explorer gestopt en hij ‘besluit’ ook dingen voor je al naar gelang je een applicatie een aantal keer gebruikt hebt of een map een aantal keer bekeken hebt. Foei. Niet voor mij denken. En ook screenshots nemen, ja je kunt er programmaatjes voor downloaden in Windows, maar standaard werkt dat gewoon heel erg relaxed in Ubuntu (of eigenlijk alle mij bekende Linux-distro’s). De instellingenmenu’s van Microsofts laatste telg zijn schizofreen weggestopt onder twee type settings-menu’s. Heel raar. Heb ik nou wél iets ingesteld of niet? Gewoon simpel netwerkinstellingen, alles zit dan ineens verstopt achter ‘thuisnetwerken’ ‘privé’ of ‘openbare’ computers en weet ik het wat nog meer. Dat snap ik niet zo goed. Waren vroeger games misschien nog een reden Windows te gebruiken, dat is voor mij geen ding meer: alles wat ik leuk of interessant vind, is via Steam prima te spelen in Ubuntu. Maar aan de andere kant is er voor mijn gevoel ook geen directe reden meer Windows níet te gebruiken omdat het eigenlijk wel doet wat het moet doen. Dat geldt in grote mate ook voor ChromeOS, ik pak regelmatig een Chromebook Pixel op kantoor. Klap hem open, vul mijn Google-accountgegevens in en hop, een werkende computer. Na gebruik zeg ik: wis de hele meuk en de computer in kwestie is weer account-loos.

Dan komen we langzaam aan het eind van het verhaal: doordat het gros van de dingen die ik doe, via de browser gaat, is het helemaal niet meer relevant wat voor OS ik gebruik. Een enkele activiteit vereist nog een losstaand programma dat zo beter gebruik kan maken van alle hardware, maar dat is niet heel vaak meer nodig. Dan wordt de keus ineens veel meer door ideologie geleid en komen we bij de ‘of toch?’ Windows is niet open en ChromeOS ook niet, al leunt het zwaar op Chromium OS, de opensourcevariant van ChromeOS (net zoals de Chrome browser en Chromium-browser). Eigenlijk is om die reden Ubuntu of een andere Linux-variant mijn os-of-choice, al ben ik niet zo puristisch dat ik alleen opensourcesoftware wil gebruiken. Een goede opensourcevideo-editor ben ik bijvoorbeeld nog niet tegengekomen. Lightworks doet het wat dat betreft erg goed: draait op Windows, Mac en Linux. Dat andere processorintensieve ding Lightroom bestaat helaas niet voor Linux, maar oss-alternatief Darktable doet het ook erg prima.

Bottom line is dat ik gewoon Grub 2 moet fixen en zorgen dat uefi niet meer boos op me is.

* Het heeft niet te maken met niet willen betalen voor een OS of voor programmatuur, maar heel andere zaken. Die zijn terug te lezen in de eerste ik-probeer-windows-te-installeren-blogpost.

Windows 10, poging 2

Windows 10, poging 2

Ja, ik blijk toch niet gek: Windows 7 geeft een correcte product key. Als je die invoert in de betreffende Windows 7-installatie via de browser wel te verstaan. Niet in een andere install. Ok, ik snap het. De procedure moet dus als volgt zijn: eerst Windows 7 installeren, dan upgraden naar 10. Maar wél eerst vanaf de Win7-pc met dezelfde hardware. Okok.

Windows 7 key nog maar een keer bevestigen. Ha, het werkt, vanuit Win7.

Volgende stap: kies dezelfde taal als waar uw besturingssysteem nu ook in is.

Dat is gek genoeg lastig. Nederlands staat er niet tussen:

Screenshot from 2015-08-18 00:22:21Screenshot from 2015-08-18 00:22:35

Ok, morgen weer een dag.

 

Weer eens Windows

Weer eens Windows

Ben ik nog net zo’n evangelist als vroeger? Nee. Het moet gewoon werken. En het liefst goed. En dat doen al die linuxfotobewerkingsprogramma’s nét niet. Je wéét dat er betere lenscorrectieprofielen zijn en die zitten allemaal in Adobe’s Lightroom. En daar heb je OS X of Windows voor nodig. Ok, dan doen we dat. Tegenwoordig schijnt het heel gebruiksvriendelijk te zijn.

Toevallig overleed mijn laatste moederbord na terugkomst van een vakantie. Omdat ik vrij zuinig ben op mijn spullen, houdt de meeste computerapparatuur het ook jaren uit. Zo ook dit moederbord, een Asus EM78 van toch al weer zo’n zeven of misschien wel acht jaar oud? Door her en der wat upgrades ging dat jaren mee. De laatste upgrade moest een ssd zijn, maar dat kwam er dus niet van.

Nieuw mobo met Skylake

Fast forward naar nu. Een nieuw moederbord in de pocket met een verse Intel Skylake-processor. Eerst even oude hd met Ubuntu eraan gehangen, maar ja, dat ratelt en duurt nog steeds lang. Toch, na het opstarten bleken zowel Darktable als RawTherapee, twee lightroomachtige programma’s voor Linux, ineens als een dolle te werken: nul seconden wachten voor ingewikkelde operaties aan raw-foto’s. Hmm. Misschien toch niet door naar Lightroom, al is het maar om dat eens goed aan de tand te voelen?

Volgende dag, half uurtje in de ochtend, een momentje over. Even Ubuntu installeren op de ssd. Dat was binnen zes minuten klaar of zo. In ieder geval zo snel dat ik het niet doorhad. Ik had het moederbord wel enigszins uitgezocht op componenten waarvan ik zeker wist dat ze door de laatste kernel in Ubuntu ondersteund moesten worden, dus. Geen centje pijn. Wat een heerlijkheid.

Maar nee, ik zou Windows installeren en eens kijken hoe het nou voelt met het ‘echte’ fotobewerkingsprogramma. De hele wereld verklaart me al jaren voor gek dat ik dat constant weiger. Het is overigens niet dat ik niet wil betalen voor programmatuur, ik heb ook ooit betaald voor het programma van Corel, After Shot Pro. Dat had misschien betere lenscorrectieprofielen dan de twee opensource en gratis programma’s, het voelt niet modern en soepel. Misschien nog eens proberen met nieuwere hardware.

Product keys, downloads, iso’s, gedoe

Terug naar Windows. Ooit kocht ik Windows 7, had het ergens voor nodig en dat draaide al jaren in een virtueel machientje en heel soms was het wel handig voor dingen die niet zonder Windows konden, al komt dat bijna niet meer voor. Maar dat was 32 bit, dus dat willen we niet. Windows kopen, of in ieder geval downloaden of in ieder geval gewoon verkrijgen, heel simpel, zoals ik gewend ben met alles wat ik de afgelopen jaren gebruikte: nog steeds niet mogelijk, al bleek later dat het minder lastig was. Als je per ongeluk op de goede plek terecht komt. Niet in de ‘windowsstore’ in ieder geval of op microsoft.com/nl. ‘Upgrade naar Windows 10’. Overal verwijzingen, maar nergens een download of een plek om te betalen en een volledige versie te downloaden. Dat laatste werd na een tijdje ontdekt. Een optie: koop Windows 10 voor 278 euro. Wut? Ik wil best betalen, maar eh… Nee. Als ik iets download en er geen mooie boekjes (die je toch niet leest) bijkrijgt, mag het best wat goedkoper, zeg 80 euro? Bij 50 had ik er niet over nagedacht en gewoon gedaan. Goede software mag best iets kosten. Linux is ten slotte ook niet altijd overal gratis, maar wel vrij, als in open.

Nou, dat ging dus niet werken. Dan maar een torrent. Nee, eigenlijk heb ik daar gewoon geen trek in. Toch maar gedaan. Tijdens mijn zoektocht naar het serienummer in de virtuele Windows 7 van mijn oude Ubuntu-installatie (snapt u het nog?), typte ik iets in als “windows search serial number” om bij How To Geek tegen te komen dat het mogelijk is recovery, ja, recovery iso’s van Windows 7 t/m 10 te downloaden. Helemaal gewoon wat ik wilde. Ik heb toch die officiële key, dan mag ik upgraden, toch? In ieder geval één keer.

Usb-stick aan de praat krijgen

Iso gedownload en er stond zelfs een keurige usb-key-creator bij! Windows-computer opgezocht, windowsusbkeycreator.exe aangeklikt – of hoe het ook weer heet – en. Nee. Dan wil ie eerst de iso downloaden vanaf internet. Geen mogelijkheid om de al gedownloade iso te selecteren. Pech. Uiteindelijk blijk ik dan toch het snelst een .iso op een bootable, uefi capable usb stick te kunnen zetten via … Ubuntu en dan het tweede antwoord: de ‘any Ubuntu version’. En een usb-stick, al is dat ook een verhaal apart: ik heb veel te veel goedkope, rottige usb-sticks en eigenlijk zou ik die allemaal ritueel moeten verbranden. Traag en vaak corrupt. Os-onafhankelijk.

Ha, nu dan het moment. Stick erin en booten maar. Het start, het draait, het loopt! Product Key invoeren. Zoek in mijn telefoon. Nummertje invoeren. Geen geldige key. Hmm. Nog een keer. Geen geldige key. Verdorie. Nou ja, je kunt het in ieder geval even overslaan. En verder. Dingen. Een scherm met ‘ik wil alles met de hele wereld delen’. Alles uitvinken. Verder. Wachten. Restart. Wachten. Ha! Hebbes. Eh. Geen netwerk? De kabel zit er toch in? Eh. Hoe. Nou… Oh ja, drivers. Dat is lang geleden. Ik dacht dat dat niet meer hoefde op Windows tegenwoordig. Die staan natuurlijk op een dvd. En die zit niet meer…

Ubuntu-laptop opstarten, dvd erin, brakke usb-stick. Kopiëren maar. Nee. Dat ligt aan de stick. En het past ook eigenlijk niet (drivers, waarom moet dat 5,1GB zijn?). Weet je, het is waarschijnlijk sneller om de ssd uit de desktop te halen, via een extern aansluitkabeltje te verbinden en zo de dvd in de My Documents te kopiëren en… Oh nee, ik heb alleen de netwerkdriver nodig. Hop, die op het stikkie. En installeren. ‘Device not recognized’. Wut? Waarom niet? Ik wéét welke erin zit, speciaal gekozen omdat Ubuntu.

Dus terug naar het eerste idee. Dvd gekopieerd via usb naar ssd. Duurt ook lang. Alles in een keer. 35 minuten. Niet zo’n snel medium en ook nog honderduuzend minibestandjes.

Klaar. Ssd weer in desktop. Desktop starten. Speciale Asus-programma starten: ja installeer alles (behalve die meuk die ik niet wil). Estimated time: 17 minuten. ¿? Waarom? Ok we wachten verder. Ik was dit verhaal al begonnen toen de drivers aan het kopiëren waren.

Anyway, mijn Instagram-post van Intsalling Windows is in ieder geval ruim 2 uur geleden op moment van schrijven (23:45) en het lijkt nu allemaal klaar. Een lege, kale Windows.

Ik snap niet dat zo’n groot bedrijf er niet voor kan zorgen dat je op een normale manier snel en makkelijk een programma, in dit geval een besturingssysteem, kunt kopen, downloaden en installeren.

Nu eens zien of Lightroom écht de Holy Grail is. Eerst maar eens de 30-dagen-trial proberen.

Ok, het is niet zo dat je nooit last hebt met Linux, maar als je de hardware goed kiest, dan staat dit dus in de LinuxDrivers-directory :)
Ok, het is niet zo dat je nooit last hebt met Linux, maar als je de hardware goed kiest, dan staat dit dus in de LinuxDrivers-directory :)
Bitcoin naast pin op locatie

Bitcoin naast pin op locatie

Onlangs stond ik ‘s ochtends bij een pop-up-koffie-ontbijt-en-lunch-tentje. Ai, geen contanten bij me. Pinnen dan. Helaas, tijdelijk buiten gebruik.

“Je kunt het wel overmaken!” zegt het meisje achter de toonbank. Prima, maar dan heb ik wel een e.dentifier nodig. “Die heb ik hier voor je.” Ik pak de pasjeslezer aan en vul de gegevens van de rekening van de uitbater in op mijn mobiele bank-app. Nieuw rekeningnummer, dus eerst een code invullen. Hm, de e.dentifier heeft duidelijk zijn beste tijd al gehad hier, op dit winderige en zanderige stukje Amsterdam. Met wat moeite krijg ik er toch een code uit. Hop, de twee euro vijftig is voldaan.

Waarom is dit van belang? Het is weer festivalseizoen. Overal staan weer pop-up-winkeltjes en -barretjes waar mensen willen betalen. Een pin-apparaat kost geld en alleen cash is vaak niet handig. Slechts een smartphone en een app zijn nodig et voilà: bitcoins accepteren was nooit eenvoudiger.

Na het laten zien van de betaling op mijn app, pak ik de koffie en ga zitten. Het IJ, Amsterdam Noord, het Centraal Station. Allemaal prachtig, zo’n ochtendplaatje. Toch blijft er iets knagen. Wat een gedoe toch altijd met die mobiele pinstations. Altijd wat. Tja, misschien moet je ook gewoon contanten bij je hebben, maar waar stop je die in zo’n pasjesportemonnee. Meestal prop ik het ergens in een broekzak en hoop dat ik de boel niet verlies.

Mijn koffie is op. Ik pak de kop-en-schotel en loop terug naar de verkoopstal. “Zeg, heb je wel eens gehoord van bitcoin?” vraag ik. Nee, dat had ze niet of.. heel misschien, maar dan heel vaag. Dit wordt lastig. “Je kunt dus heel makkelijk, zonder moeite een app op je telefoon of tablet installeren waarmee je die dingen kunt accepteren en er zijn zelfs bedrijfjes die de ontvangen bitcoins direct omzetten in euro’s,” leg ik uit. Dat is al drie stappen te ver. De pont komt, hoe leg ik nou in drie zinnen uit hoe het werkt? Eigenlijk hoeft ze dat niet eens te weten, alleen dát het werkt.

Een paar dagen later ben ik er weer. Ze heeft er het een en ander over gelezen. Wel interessant. Maar de pin doet het weer. Ik hang mijn pasje erboven. “Oh nee, het is wel een nieuw apparaat, maar contactloos doet het niet op de een of andere manier,” zegt ze. Ach, het is ook altijd wat.

Het accepteren van bitcoins of soms zelfs meerdere elektronische cryptovaluta is eigenlijk best makkelijk, zeker in Nederland waar het mogelijk is via verschillende aanbieders met iDeal bitcoins aan te schaffen. In sommige steden zijn zelfs automaten waar contanten in bitcoins gewisseld kunnen worden. Het handige van verschillende aanbieders die zich echt op winkeliers richten, is dat alle of een deel van de bitcoins direct in euro’s op een bankrekening gestort kunnen worden, zo heeft de uitbater geen last van schommelingen in de wisselkoers, al wordt ook aan dat probleem gewerkt.*

In Nederland zijn onder andere bitkassa, bitonic, bitstraat en bitmymoney, bitpay en coinbase gespecialiseerd in faciliteiten voor winkeliers.**


* Ondanks dat bitcoins aan elkaar overmaken voor de eindgebruiker heel makkelijk is, staan cryptovaluta nog in de kinderschoenen. De verschillende apps werken over het algemeen goed, maar zonder internetverbinding ben je nergens. Ontwikkelingen gaan ook heel snel, er zijn zelfs al bedrijven die proberen de tegenwaarde stabiel op te slaan in de blockchain, zoals Tether.  Verwacht ook vooral geen wonderen, denk aan hoe internet er in 1994 bijlag.
** wellicht zijn er meer, laat dat graag weten in de comments

Steam & old Ati (AMD) video cards

Steam & old Ati (AMD) video cards

I dare not say if this fix goes for all older Ati / AMD video cards, but it has helped me a few times now. Because I always forget where I found the answer, I post this to my ‘how did it I fix this again‘ blog-part.

It happened a after upgrading to Ubuntu 14.10 (open source drivers worked fine for games like TF2, Civ V, etc):

OpenGL GLX context is not using direct rendering, which may cause performance problems

Apparently there are some issues with some 32 bit libraries which are shipped with Steam, after which it doesn’t use the systems own libraries any more (some websites state that you should first check if:

glxinfo | grep render

shows the system shows something like:

direct rendering: Yes
GLX_MESA_multithread_makecurrent, GLX_MESA_query_renderer,
GLX_MESA_multithread_makecurrent, GLX_MESA_query_renderer,
OpenGL renderer string: Gallium 0.4 on AMD RV770
GL_MESA_texture_signed_rgba, GL_NV_conditional_render, GL_NV_depth_clamp,
GL_NV_blend_square, GL_NV_conditional_render, GL_NV_depth_clamp,
GL_OES_fbo_render_mipmap, GL_OES_get_program_binary, GL_OES_mapbuffer,
)

Most websites will tell you to remove the following libraries:

~/.steam/ubuntu12_32/steam-runtime/i386/usr/lib/i386-linux-gnu/libstdc++.so.6
~/.steam/ubuntu12_32/steam-runtime/i386/lib/i386-linux-gnu/libgcc_s.so.1
~/.steam/ubuntu12_32/steam-runtime/amd64/lib/x86_64-linux-gnu/libgcc_s.so.1
~/.steam/ubuntu12_32/steam-runtime/amd64/usr/lib/x86_64-linux-gnu/libstdc++.so.6
~/.steam/ubuntu12_32/steam-runtime/i386/usr/lib/i386-linux-gnu/libxcb.so.1

The location of the libraries may vary. In my case it’s located under:
/home/user/.local/share/Steam/ubuntu12_32/

That was it.

'Stole' this picture from Arstechnica Why I use a 20-year-old IBM Model M keyboard. When ever I encounter one myself, I'll take my own pic!

Beter typen (als je dat toch al blind doet)

IMG_20141029_155945
Ouwe tobo

Jaren typte ik op kantoor op een of andere ouwe ramplank. Hij was al oud toen ik hem ‘overnam’. Eigenlijk werkte de linker shift niet zo lekker en vaak bleven ook andere toetsen hangen. Heel onhandig allemaal, zeker voor een blindtyper.

Toevallig kwam afgelopen jaar af en toe iets langs over ‘mechanische toetsenborden’ met als iconische voorloper het IBM Model M toetsenbord. Daar typte ik als kind ook op. Later gebruikte ik M nog een blauwe maandag toen ik net op kamers zat. Helaas is dat toetsenbord ooit ‘uitgeleend’ en die zie je dan nooit meer terug:

“Hij was toch oud?”
“Ja, maar deed ie het nog?”
“Ja, maar hij was toch oud?”

Model M is nog steeds als tweedehandsje te krijgen en er wordt lachend 50 tot 70 euro voor gevraagd op Marktplaats of Ebay. Dat is nog steeds goedkoper dan de meeste nieuwe mechanische toetsenborden, maar die hebben dan wel één ding wat M niet heeft: multimediatoetsen.

Niet dat ik er veel ‘nodig’ heb, alleen ik ben wel heel erg blij met een volumeknop en voor mute, play en pause.

'Stole' this picture from Arstechnica Why I use a 20-year-old IBM Model M keyboard. When ever I encounter one myself, I'll take my own pic!
Model M, die met de PS/2 poort geleverd werd

Maar mocht ik ooit nog een oude Model M tegenkomen bij iemand die hem ‘per ongeluk’ wegdoet, dan neem ik hem graag mee. Nu werd het toch een Das Keyboard met blauwe switches. Over die laatste twee woorden, zijn hele studie’s op internet te vinden, dus hier laat ik het wat de technische kant betreft even bij.

Kwaliteit

Ik hou me even bij de toetsenborden. De meeste mensen typen tegenwoordig heel wat af op een laptop. Prima natuurlijk. Lekker voorovergebogen boven je apparaatje. Een enkeling gebruikt een standaard en dan is er een extra muis en toetsenbord nodig. Tenzij je de spullen constant meesleept, begrijp ik niet dat mensen voor het allerlaagste bedrag een minimuisje met een kloterig pruttoetsenbordje kopen. Ze functioneren vaak wel en de levensduur is soms langer dan je denkt (“ach, wat maakt die ene lamme toets nou uit! Dan druk ik wel wat harder…”), maar echt lekker werken…

Grappig genoeg, maar niet onlogisch, komt vrij veel kwalitatief goed en stevig spul uit de game-wereld. Vaak zijn de ontwerpen monsterlijk, maar daar moet je dan misschien een oogje voor dichtknijpen. De prijs van de gemiddelde gamer-ramplank ligt meestal niet zo hoog door de ledjes en andere onzin. Nee, ze moeten heel wat agressie kunnen doorstaan voor langere tijd achter elkaar. En dat kost wat.

De liefde voor mechanische toetsenborden van gamers komt mede door de feedback die je krijgt (of juist niet krijgt) en zo hoef je je niet af te vragen of je een toets nou wel of niet ingedrukt hebt, iets wat ook heel erg handig is met mensen die heel veel moeten typen. Gelukkig zijn er ook merken van mechanische tobo’s die er wel zakelijk uitzien, zoals Das Keyboard, Ducky en Filco. Of een nieuwe oude van Unicomp.

Iedereen moet het natuurlijk zelf weten, maar ik snap niet dat mensen lachend eens per zoveel jaar honderden of soms wel duizenden euro’s aan laptops of andere computerapparatuur uitgeven, maar daar een toetsenbord en muis van een tientje aanhangen (aan de andere kant hield ik het op kantoor ook heel lang uit met af en toe een scheldkanonnade omdat een bepaalde toets bleef hangen).

Voor mij was dit de laatste invoerapparatuuraankoop die er mijns inziens toe doet (muizen, hun matten en headsets had ik al ;) )

Mijn thuistoetsenbord is zo heel slecht nog niet, maar na deze clicky-keys-ervaring zou het zomaar kunnen zijn dat er wellicht misschien heel per ongeluk nog ergens een potje gevonden gaat worden ;-)